49 Katten in de jungle, het Amazonegebied

In het Amazonegebied is het winter. Dat wil zeggen dat het méér dan normaal regent; dat er veel muggen en andere steekbeesten zijn maar ook weer niet zoveel als in december, het begin van de regentijd; dat veel land méters onder water staat; dat je vaker een boot moet nemen; dat die sneller kan aankomen omdat die bij een meanderende rivier nu over ondergelopen land binnendoor kan; dat je daarbij nog wel eens vast kunt komen te zitten tussen de bomen, waterplanten en héél veel muggen; dat er waar dan ook grote plassen ontstaan; dat je op paden door de zuigende blubber moet glibberen en dan écht diep kunt wegzakken; dat je je trekkersschoenen beter kunt inwisselen voor hoge gummilaarzen; dat een leren tas, je natte schoenen en zelfs kleren die je droog weghing, spontaan gaan schimmelen; dat ik straaltjes zweet; dat je kleren binnen no time stinken als de neten en jij erbij…

Twee jaar geleden was ik rond deze periode in het Peruaanse Amazonedeel, drie jaar geleden in het Braziliaanse, 33 jaar geleden idem dito, nu in het Colombiaanse deel… Waarom haal ik het in mijn hoofd om al die keren in maart en/of april te gaan? Omdat het simpelweg stom toeval is. Alleen in het Ecuadoriaanse deel van het Amazonegebied was ik, ruim tien jaar geleden, in ons najaar als journalist uitgenodigd door het landelijke toeristenbureau. Dat waren enkele dagen en geen 26, zoals nu.

 

Amazonas staat absoluut op mijn lijstje van magische geografische namen. Vanwege de naam en de associatie met de strijdende dames, maar vanzelfsprekend ook omdat we spreken van de grootste rivier en het bijbehorende tropische regenwoud ter aarde. Vlieg eroverheen en het is één grote erwtensoep met wat slierten geelbruine rivier. Juist omdat het zo immens is, worden veel toeristen teleurgesteld. Want hoewel het er zal stikken van de beesten, is de waarschijnlijkheid dat je ze ziet het grootst in de dierentuin, gevolgd door kleine jungles als in Costa Rica. Te veel pottenkijkers en jagende indianen? De wilde dieren trekken wel verder. Maar iedereen die een beetje moeite doet, zoals je aansluiten bij een nachtwandeling, krijgt wel immense spinnen te zien waaronder handgrote tarantula’s; even grote kakkerlakken, en ruim 3 cm grote mieren. Word je hier flink gestoken? Waarschijnlijk is het van een mier. Hoewel je natuurlijk ook “killing bees” hebt. En muggen. En zandvlooien. En steekvliegen… Ook prachtig roze dolfijnen. En aapjes. En slangen. En luiaarden…

In Leticia, hoofdstad van het Colombiaanse Amazonegebied, valt iedere dag van vijf tot half zeven ’s middags een fascinerend schouwspel te zien. Nota bene midden in het grootste woud ter wereld, vechten duizenden, tienduizenden, honderdduizenden, ruim een miljoen (?) parkieten en zwaluwen om een slaapplek in zo’n tien bomen in stadspark Santander. Soms ziet de lucht zwart van voorbij scherende vogels. Hun getsjilp is oorverdovend,, de stank van vogelpoep enorm, de kans om besmeurd te worden aanzienlijk. Op Youtube worden verschillende filmpjes getoond maar sommige vertonen niet de hoeveelheid die ik zag. Adembenemend. Ook ’s ochtends overigens tussen vijf en half zes als ze weer vertrekken. Ik ben er een keer voor opgestaan en liep toen in mijn eentje onder die zwarte massa vogels door die eerst een tijd rondzwermen vóór ze en masse weet ik waar naartoe vliegen. Ciao!

 

Die omvang van de jungle zal meespelen bij de sterke verhalen die je hier hoort. Ik heb geleerd en lees ook op internet dat anaconda’s de grootste slangen ter wereld zijn die tot negen meter lang kunnen worden. De Amazonebewoners die ik hierover navraag, spreken vrijwel stuk voor stuk over al dan niet zelf gespotte anaconda’s van ruim twintig meter tot vijftig meter toe. ‘Tot de dieren die al in de prehistorie leefden, behoort de krokodil maar evengoed de reuzenslang. Hier in het Amazoneregenwoud zijn gedeelten met diepe meren waar nauwelijks een mens is geweest. Maar er zijn verhalen dat zo’n beest is gezien en weer in de diepte verdween.’

Tja, als érgens ter aarde de prehistorie zou voortleven, dan hier. Het lijkt plausibeler dan Nessie uit Lochness. Wat waar is van de ruim twintig meter lange anaconda’s die mensen persoonlijk zagen? Ik constateer in ieder geval dat Latino’s erg slecht zijn in cijfers en indianen vooral. Iemand die beweert tijdens bungeejumpen een vrije val te hebben gemaakt van vijftienhonderd meter… Bestaat niet. 2000 peso plus 2000 peso berekenen op een rekenmachine… Geregeld. Feit is dat anaconda’s enorm groot kunnen zijn maar dat ik “twintig meter plus” toch eerst zelf zal moeten zien eer ik het wil geloven.

 

En daarvoor moet je geluk hebben én diep de jungle in gaan. Deze keer reizen Anik en ik weer samen en het is een vat vol tegenstrijdigheden. We hebben afgesproken óm diep die jungle in te gaan. Anik eet probleemloos rupsen en is zeer content dat ze mijn vissenkoppen altijd mag uitzuigen. Ze pakt zonder enige schroom Princesa, een ruim vier meter lange anaconda van minstens dertig kilo op en zou het liefst een foto willen als ze naakt op de grond ligt en Princesa over haar heen kruipt. Dezelfde Anik geeft ook aan geen uren te willen lopen; geen varkensvlees, kippenvlees van de legbatterij, suiker, producten met chemische toevoegingen, sappen uit pak of blik, soja enzovoorts te willen eten; en niet in een hangmat te willen slapen.’ Ik heb al ervaren dat ze evenmin ’s nachts tegen geluiden kan die niet bij de natuur horen en ze al problemen heeft als het oplaadpuntje van je mobieltje rood kleurt.

Eduardo, onze gids voor vier dagen hoort haar aan en reageert tot mijn verbazing: ‘Geen probleem Anik!’ Wil hij een bed meeslepen?

‘Nee, ik had een onderstel gemaakt van takken en ze had haar yogamatrasje mee moeten nemen’ vertelt Eduardo als we pas de derde, dus laatste nacht, in de jungle slapen met… de Zwiterse Lisa. Anik is dan al terug naar Leticia, na een nacht dat de wc haar beste vriend was, misschien omdat ze als avondeten enkel papaja at?

Ik heb Eduardo op mijn beurt moeten overtuigen dat we níet bij mensen willen eten, hoezeer dat ook gemakkelijker is dan een maaltijd in het oerwoud. ‘We zijn hier niet voor de restaurants maar voor de beleving in het oerwoud Eduardo. En zo hebben Anik en ik het ook aangegeven toen we deze toer boekten!’ Hij kijkt me meewarig aan. ‘En jij denkt dat Anik dat had volgehouden?’

Ik moet lachen. ‘Ja maar nu is ze er niet meer bij!’

 

Tot een paar jaar geleden ontving Leticia drie, hooguit vier passagiersvluchten per week. Sterker, toen Carma en ik in 1983 vanuit Manaus met een vrachtboot hier aankwamen, was er geen enkele passagiersvlucht. We snelden naar het vliegveldje om te kijken of er überhaupt een vliegtuig was en hadden de mazzel van ons leven: we konden voor wat kleingeld in de hand van de piloot direct mee met een vrachtvliegtuig, zittend bovenop de lading. Leticia was een houten jungleplaatsje en als we tijdens de voorafgaande bootreis stopten in een gehucht, gaapten de bewoners ons vaak aan en betastten de durfals mijn blonde haren.

Tegenwoordig landen er drie, vier passagiersvliegtuigen per dag in Leticia. Zoals Colombia steeds “hotter” wordt, is dat ook met haar Amazonegebied het geval. De Colombianen die het gebied willen leren kennen, hebben doorgaans hetzelfde voor ogen als in andere gebieden: misschien een beetje actie maar vooral voldoende luxe en gelegenheid om te pimpelen. Dat begrijpen de Colombianen – hier vooral indianen – van deze streek. Maar dat je in de jungle wilt eten en slapen??? Daarin hebben gidsen als Eduardo zelf ook weinig trek.

 

Hoewel hij heus het nodige weet. Vooral het eieren koken maakt indruk: met een stok er van links naar rechts doorheen prikken, garen boven het vuur, klaar. Hij is ook zorgzaam als we vanwege urenlange regen zo’n beetje wegspoelen gedurende de nacht. Kletsnat verbetert hij ons afwateringssysteem, we liggen in hangmatten onder een plastic zeil. Ik vermoed dat zowel hij als ik denken dat het beter is dat ik blijf hangen op mijn plek. Het alternatief is dat we in het donker én de bakken met water die de hemel over ons zou uitstorten, alle drie de hangmatten zouden moeten opschuiven. Ik lig nu namelijk te dicht tegen het eind van het zeil en word daardoor via mijn zijkant behoorlijk nat. Tot de regen om vier uur eindelijk ophoudt, duw ik voortdurend het water van mijn legerhangmat, die bovenop godzijdank ook een zeil heeft.

Regen in het tropische regenwoud is niet koud. Het duurt vooral lang eer ik kan slapen omdat ik me herinner hoe erg noodweer in de jungle kan zijn. Borneo 1988. Het was een groot avontuur: Berlinerhans en ik waren een van de puurste regenwouden ingetrokken omdat we een wederzijdse teleurstelling herkenden: ondanks het verblijf in gebieden die toch bekend stonden als “superjungle”, hadden we nog nooit het “Tarzangevoel” gehad. En wat dat wel niet was? Ondoordringbaar bos waar het daglicht nauwelijks tot niet kon doordringen, een orkaan aan geluiden, krioelende dieren.

Het zal met de filmindustrie te maken hebben. Overdrijving van de jungle, van gevaarlijke dieren. Mijn vroegere idee was dat als ik één vinger in Amazonewater zou steken, de piranhas die geheid tot op het bot kaal zouden vreten. Ik heb heel wat locals voor laten gaan, eer ik zelf het verkoelende water in durfde, wetende dat dit evengoed het terrein is van kaaimannen, sidderalen, roggen, anaconda’s en beestjes die via de kleinste openingen je lichaam binnendringen. Maar de inheemsen hier zijn ook niet gek. Als je doet wat zij doen…

 

Niettemin kan het, zoals overal, mis gaan. Zo zwemmen we op een plek waar vorig jaar een dreumes wél ter prooi viel aan de piranhas. Maar toen was het de droge tijd waarbij de plek een geïsoleerd meer werd. Als zich daarin veel ondervoede carnivoren bevinden… Het jochie kon al zwemmen maar scheen zijn hoofd te hebben gestoten – bloed! – terwijl hij zijn bal uit het water wou vissen… Toen volwassenen hem wilden redden, was zijn voorlijfje al vrijwel weggevreten.

Afijn, Borneo. We trokken met een Dajak diep in de jungle en sliepen er onder andere een week of wat bij een familie. Totaal afgelegen, in een klein hutje op palen, aan de rand van hun rijstveldje. Op een nacht ging het weer eens te keer – Borneo staat bekend om heftig onweer – met ook hevige donder, regen en wind. Het klinkt ongelooflijk maar gebeurde echt zo: op het moment dat het palmrieten dak van ons huisje werd gerukt, donderde er een woudreus om die met een grote tak op het hutje neerkwam en het dak daarom tegenhield. De familie en de gids vluchtten in dat noodweer het rijstveld in met mij erachteraan. Hans bleef achter onder het inmiddels scheve dak omdat hij niet nat wilde worden. Wij, de overigen lagen in de modder, staan in het open veld was natuurlijk veel te gevaarlijk.

 

Terwijl nu de regen neerdaalt, smeek ik dat het niet gaat stormen en vraag ik me af of Eduardo weet wat hij dan zou moeten doen. We zitten dichtbij een opvanghuis voor wilde dieren maar zijn hier naartoe gekanood en om nu in zo’n wankele ondiepe holle boomstam terug te peddelen… Maar of hier een open veld is waar we veilig zijn voor vallende bomen?

Het blijft enkel regenen, geen noodsituatie. Bovendien hád onze gids zijn plan klaar. ‘Dan waren we naar een boom gerend die bekend staat om zijn diepe wortelstelsel en die altijd wel blijft staan.’

Het valt me mee. Anik en ik vertellen elkaar later dat we beiden weinig fiducie hebben in blaaskaak Eduardo. De eerste nacht zat hij luid met collega’s te pimpelen om ons rond half zes te melden dat het ochtendboottochtje niet door kon gaan omdat de zon niet scheen. We hadden afgesproken dat alleen regenen het tripje zou beletten maar hadden evenmin zin om met de zatlap te vertrekken.

Anik was ook doodsbang dat Eduardo met ons zou verdwalen en ze droeg wat van die angst over op mij. Toen Lisa, Eduaro en ik samen met de Braziliaan Miguel eindelijk wat dieper het bos in gingen, voelde ik me weer geheel op mijn gemak. Ik zou Miguel graag volgen naar de afgelegen plek waar de anaconda’s van twintig meter plús leven en de kaaimannen van prehistorische afmetingen. Maar die expeditie duurt minstens een week en met Anik zie ik dat niet gebeuren. Miguel: ‘Slapen in de jungle zonder hangmat, ben je gek?’ Maar voor Colombia Diferente?

 

Nu het moment dichterbij komt dat ik écht moet beslissen of ik daarmee daadwerkelijk begin, voel ik me slapper om het ook te doen. Na aankomst in Leticia ontmoette ik het Nederlandse stel Bram en Roos dat op de Bernardo-eilanden een populair jongerenhotel runt, op palen boven de zee. Ik heb het gezien vanaf de boot; het ziet er geweldig uit maar een partyhostel is niks voor mij. Met Bram heb ik in Leticia leuk zitten kletsen; hij investeert in meerdere hotels en wil ook reizen aanbieden. Er glooide weer meer vuur bij mij, zou dit het contact kunnen zijn dat me over de streep trekt? Vervolgens verloren we elkaar uit het oog, ik wil hem nu schrijven maar of dat wat oplevert?

‘Jij moet in Nederland gewoon een groep samenstellen en die mensen meenemen naar Colombia, jij weet inmiddels zóveel van dit land dat je iedereen een bijzondere vakantie kunt geven. En daardoor zul je zelfvertrouwen opbouwen’, zegt Anik. Ze vindt het heerlijk om me daarin te steunen. Zij is degene die me een jaar geleden vroeg om samen een reisorganisatie op te zetten. Maar het werd al snel duidelijk: zo makkelijk zij ja zegt, kan ze ook weer nee zeggen. En inmiddels besef ik: we zouden elkaar de hersenen inslaan!

 

Anik. Een heerlijke vrouw van inmiddels 61 vol energie en initiatieven. Die onthutst vertelt over een leeftijdgenote die een soort Tupperwareparty hield over hulpmiddelen die de ouderdom kunnen verlichten zoals incontinentieluiers. Anik houdt van paaien, praat graag over vrijheid en seks, gaat graag met jongeren om en zeker met kinderen. Ze voert zelf al 38 jaar een geweldig mooie crèche – zie Taller de Anik infantil Cali Colombia – en trekt hier een indianendorpje in met maquillagespullen, beschildert kinderen en stoeit met ze in het water. Ze praat met een Indiaanse die andere vrouwen onderwijst in hoe ze kinderen hun genegenheid kunnen tonen. De leergierige dame zou graag extra onderwijs willen maar heeft het benodigde geld uitgegeven opdat haar zoon kan studeren. Anik: ‘Heel begrijpelijk, dergelijke keuzes maak je als moeder. Niettemin heb ik een oplossing dat ook jij toch die studie kunt volgen. Stuur je gegevens op naar de Taller de Anik Foundation en dan komt het goed!’ De vrouw kijkt haar verward en hoopvol aan, is zoiets mogelijk? Bij Anik wel.

Anik koopt ook meteen een vlucht voor Darwin, een Indiaanse jongen die naar verluid twee jaar onterecht vastzat omdat een vriend hem erin luisde wegens drugsbezit. In de gevangenis liet hij zich lelijk tatoeëren op zijn hand. ‘Dat moet ongedaan worden gemaakt en anders moet hij een handschoen dragen’, stelt Anik. Want ze wil hem minimaal een maand laten overkomen naar haar crèche om daar vier totempalen te snijden en met de kinderen andere houtactiviteiten te doen. ‘Aan die hand kun je zien dat hij in de gevangenis heeft gezeten want daar tatoeëren ze op zo’n manier. Ouders van onze kinderen klagen soms al als een mannelijke medewerker een staartje draagt. Ze zijn bang dat hun kinderen dat als voorbeeld gaan zien. Ik moet dus enorm oppassen’ verklaart Anik.

Maar ze geeft Darwin wel de mogelijkheid om zijn blik te verruimen, betaalt hem goed en zorgt voor onderdak en eten. De “vriend” is kennelijk jaloers en spoort hem aan tegen Anik te zeggen dat ze met zijn tweeën willen komen en anders niet. ‘Dan niet’, luidt haar reactie, en tegen mij: ‘Het was een mooie poging waarbij ik wat geld ben kwijtgeraakt voor een vlucht, dan is dat maar zo.’

Even later is ze opgetogen omdat Darwin haar belt dat hij toch graag wil gaan. ‘Yes!’ schreeuwt Anik. Maar dan belandt ze alweer in het volgende probleem hoe ze vier stukken hout van twee meter en daarnaast verschillende paaltjes in Cali krijgt. Het is weliswaar licht balsahout maar zit nog vol water.

Terwijl ik dit tik, zit zij nog in het Indianendorp Puerto Nariño dit allemaal te regelen en ik in een huisje nabij Leticia midden in het groen. Op de achtergrond schettert muziek want het is Pasen, één van de drukste toeristentijden; Colombianen hebben dan negen dagen vrij. De muziek hier stopte ergens rond vijven in de ochtend en blaat alweer sinds een uur of negen. Ik ben van plan om de dag letterlijk weg te tikken en morgen is Colombia weer aan het werk. In mijn eigen keukentje hier ligt voldoende om tot dinsdag in leven te blijven, dan zal ik me waarschijnlijk weer herenigen met Anik. Tot dan genieten we van onze rust.

Als Anik een paar dagen later zich weer meldt, blijkt ze de operatie toch te hebben afgezegd. Darwin wou uiteindelijk niet zonder zijn vriend en het hout was veel te diep uitgehakt. Boven alles was Anik bang dat het in Cali fout zou lopen, veel mensen hier in Amazonas zijn geen lieverdjes. ‘Ik ben 550.000 COP lichter maar er is ook een pak van mijn hart gevallen’ verkondigt ze. En laat tijdens de laatste dagen niettemin een groot houtsnijwerk maken, een tapijt van 2 x 2 meter en reuzenmanden. Dat wordt allemaal opgestuurd, zelf vliegt ze terug met 53 levende rupsen van een kleine 10 centimeter en drie centimeter dik. ‘Die laat ik de kinderen zien en daarna gaan we ze lekker opeten’ lacht ze glunderend.

 

Puerto Nariño blijkt ook een oord te zijn waar jonge kerels op zoek zijn naar een rijp(k)ere vrouwenprooi. Na aankomst vroeg ik al aan Luis, de uitbater van El Alto Aguila waar we slechts één nacht bleven omdat het wel erg basic was, of hij het fijn vond om zo lijflijk zijn hand op armen en knieën te leggen terwijl hij uitlegde wat er allemaal te doen was. Na nog wat pogingen liet hij het gaan.

En terwijl ik alweer in Leticia was, liet Ricardo, een gids met wie we het nodige optrokken, zich pontificaal op Aniks bed vallen met zijn arm bovenop haar borsten. Om schichtig weg te sluipen toen Anik hem droog maande om rustig te doen omdat ze met haar man aan de telefoon zat.

 

Anik en Edith, twee katten in de selva (jungle). Een paar dagen geleden bezochten we Heike, een Nederlandse die in het indianendorp San Martin al twaalf jaar samenwoont met de inheemse José. Het stel is zichtbaar nog steeds gek op elkaar maar heeft al veel barrières moeten slechten want dat ze een relatie kregen was ongekend. En dat terwijl José eerder een Indiaanse verliet, hun twee kinderen worden nu opgevoed door hem en Heike. ‘Vroeger stelde ik het indiaan zijn voorop maar ik zie nu in dat we allemaal broeders en zusters zijn. Het leven met Heike heeft mijn blik enorm verruimd’ vertelt José.

Heike moet op haar beurt heel wat inleveren: ‘Praat niet over eten en al helemáál niet over melkproducten!’ In het Amazonegebied worden in principe enkel kippen gehouden, voor varkens, koeien en paarden is het veel te vochtig-heet. Mensen eten vrijwel altijd vis en ook hier geldt weer dat groenten nauwelijks verkrijgbaar zijn. Melkproducten evenmin.

Ondanks dat José en Heike de gemeenschap al veel geschonken hebben zoals zestig wc-hokjes, beseft Heike dat er vreemd naar haar wordt gekeken. ‘Ik doe mijn eigen dingen en ben gelukkig met José’, luidt haar verweer.

Ze kwam hier als biologe en het was liefde op het eerste gezicht. Om zich te onttrekken aan de eerste felle stroom kritiek, leefde het stel een jaar in Leticia en kwam daarna terug naar San Martín. Het voert nu een hotel, Don Gregorio, waarin Heike in ieder geval wel een mierenkoningin is, stelt Anik. Helaas kampt de 42-jarige José de afgelopen tijd met zware reumaklachten. In hoeverre dat toch ook te maken heeft met de strijd – stress – tegen de gemeenschap?

 

Ik zie ze als pioniers die blikken verruimen. Zoals ik eerder bekende: ‘Ik voel een steeds grotere weerzin tegen veel rituelen. Gelukkig niet meer in San Martin maar zo zijn er in de omgeving nog gemeenschappen waar meisjes rond hun eerste ongesteldheid een jaar worden vastgehouden in een hutje waar ze levenslessen krijgen van respectabele vrouwen in het dorp. Ze zoeken een echtgenoot voor ze en tijdens een groot ceremonieel worden al hun hoofdharen uitgetrokken als metafoor dat ze hun kinderharen verliezen. Het betreffende meisje wordt daarbij volgegoten met chicha – zelfgestookte drank – maar sommigen overleven de foltering niet eens. Mocht de echtgenoot niet komen opdagen, dan mag het meisje een ander kiezen maar gewoontegetrouw is hij er wel en neemt hij het hevig bloedende kind mee, ze is vanaf nu – zijn – vrouw.

Het is hier zeker niet één doffe ellende, integendeel. Veel mensen zijn hier geboren en getogen omdat ze niet anders zouden willen. De ongelooflijke rust van het leven in de natuur, geen consumptiemaatschappij, een sterk gebruik van naoberschap oftewel burenhulp, vooral als er op het einde van de dag drank wordt geschonken…

Of toerisme hier nou zo’n weldaad is? Diverse jagers ruilen hun werk in om mensen rond te leiden maar evengoed omdat met het toenemen van de bevolking en de jacht de dieren steeds verder weg trekken. In levensader Amazonas zit heus vis maar die wordt in het algemeen wel kleiner dus jonger gevangen dan voorheen. Vandaar dat onze vaste bootsman Ediver bezig is om in zijn commune, Esperanza, een kweekvijver aan te leggen op luttele meters van de rivier. Er vindt nog altijd ruilhandel plaats maar geld wordt ook hier steeds belangrijker en toerisme speelt daarin een grote rol. Veel alternatieve reizigers lopen overigens met indigoblauwe handen en andere lichaamsdelen rond. Ook dat is een indianenritueel en dient om het lichaam te reinigen.

 

Met “mierenkoningin” doelt Anik op het feit dat Heike het centrale punt is binnen het hotel. En daarmee beschrijft ze vooral ook zichzelf. Want Anik staat al 38 jaar centraal in haar eigen organisatie. Ze geniet ervan, heeft het nodig om in het middelpunt van de belangstelling te staan. Zo geeft ze mij met al haar liefde yogalessen en straalt helemaal als meerdere mensen zich bij ons aansluiten. Ze heeft een hekel aan buitenlanders die onder elkaar in hun eigen taal spreken maar als wij tussen Colombianen zitten, spreekt ze mij weer voortdurend aan in het Frans. Haar moeder kwam uit Montréal en Anik groeide tweetalig op, ze woonde ook enkele jaren in Frankrijk. Aan dat Frans heb ik op dat moment weer een hekel want dan zien de Colombianen mij meer dan nodig is als een “gringa”, bovendien spreek ik inmiddels beter Spaans dan Frans. We volharden in onze keuze: Anik Frans, ik Spaans.

Daarnaast zijn er de cultuurverschillen. ‘Hoe haal je het in je hoofd om met een armbeweging mij te sommeren om naar een ander tafeltje te gaan…’

‘Ja sorry, als jij het nodig vindt om zonder enige vooraankondiging in een restaurant uitgebreid met je familie te gaan bellen terwijl Lisa en ik elkaar nauwelijks meer kunnen verstaan…’

‘Há, moet je jezelf eens horen als je tussen Nederlanders bent.’

‘Alsof jullie Colombianen van die stille mensen zijn.’

‘Daarover gesproken, waarom moest je die aardige vrouw zo afkatten omdat ze in het Engels tegen je begon?’ Daar heeft ze een punt. Mijn ‘Ja ehhh, we spreken nu Spaans’ was onaardig en Colombianen zijn enorm hoffelijk…. Maar hoe zit het achter de schermen met huislijk geweld en moorden?

Anik werpt me ook voor de voeten dat terwijl ze me wou beschermen tegen een rechtsafslaande brommer, ik mede tegen de beduusde brommerrijder boos reageerde: ‘Maar wij hebben verdorie voorrang!’ Natuurlijk ben ik op dat moment een stompzinnige Don Quijote die volgens Anik zelfs kans loopt op een opdonder maar anderzijds als je maar aardig blijft, blijven voertuigen je van de voeten rijden.

 

En zo gooien we over en weer de punten ter sprake die we verzamelden in vredestijd. Vooral over haar “Queen of Sheba”-gedrag erger ik me rot. Zoals verdwijnen zonder boe of bah te zeggen. Omdat Anik me regelmatig wakker maakte vanwege dit of dat, sommeerde ik dat niet meer te doen. Sindsdien slapen we apart. ‘Dames, ik heb één kamer met eigen douche en toilet en…’

‘Die is voor mij!’

Ja hallo…

 

‘Time out!’ roept Heike als we als twee kleuters vechten om het plaatsje vóórin de kano. ‘Ja maar zij…’

Ik was die ochtend al pissig omdat “Madame de Pompadour” weer eens aankondigde dat ze direct terug wou naar Puerto Nariño omdat haar maag van streek was. ‘Je denkt toch niet dat ik met diarree in dit gat blijf…’

‘Ja maar hoe erg is het Anik, over zeven uur worden we opgehaald.’

‘Jij kunt blijven, desnoods een dag langer.’

Ik had al een peddel- en vistocht op het programma staan en kennelijk viel het allemaal wel mee, want direct na haar betoog volgde de vraag: ‘Kan ik met jullie mee?’

En dat betekende 3,5 uur in een kano zonder motor en zonder opties om aan land te gaan want alles staat onder water. Er was niets meer aan de hand. Ondanks diverse vragen of zij niet wou, liet Anik mij tijdens de tocht vooraan peddelen – prima, had ik zonder haar ook gedaan, ik wou juist graag die beweging – om zelf in het midden van de kano op haar matje te gaan liggen want gedurende de korte tijd dat ze voorin zat, had ze last van het harde plankje. Zoals altijd vertoonde ze tijdens de tocht haar kunsten om dierengeluiden te imiteren – doet ze verdomde goed – en ik moest ook lachen toen na een behoorlijke show, bleek dat ze onze “visvoervis” had gevangen, en niet een levende.

Maar terwijl we uitdrukkelijk hadden afgesproken dat zij op de héénreis naar San Martin en ik op de terugreis naar Puerto Nariño voorin de motorkano zou mogen zitten, eist zij die plek op ‘want jij hebt vanochtend al vrijwel steeds voorin gezeten’.

Onze bootsman Ediver is niet op komen dagen en daarom brengt José ons weg. ‘Bij ons mag geen enkele gast voorin zitten’ zegt Heike streng en we gaan zuur in het midden achter elkaar zitten, ook opgelucht omdat de strijd is gestopt. Maar die komt waarschijnlijk wel weer een keer bovendrijven.

 

Het feit dát we beiden graag op die voorplecht zitten, is ook weer bijzonder. Met onze 61 en 55 jaar hebben we kennelijk nog steeds niet ons ahum, jeugdige elan verloren. Springen vaak als eerste het water in. In Medellín lopen we saamhorig een restaurant uit waar de eigenaar ons onterecht een meerprijs wil laten betalen die we dus níet betaalden. Terwijl we zien dat een medewerker met een agent praat, zetten wij het op een rennen en ploffen gierend van de lach in een taxi. We spelen fanatiek poker en om geld. We vinden het beiden ook uitstekend om mensen die het minder hebben zoals kamermeisjes, uit te nodigen voor een maaltijd .

‘Het is ook wel wennen met jou omdat José (haar vriend) me altijd mijn zin geeft’ geeft Anik toe. ‘En ik ben evengoed een dwingelandje dat graag centraal staat’ zeg ik op mijn beurt. En dan is het weer wapenstilstand tot… Pffff

 

In Puerto Nariño logeren we in Paraïso Ayahuasca, het domein van Iliane en Armando, beiden rond de zestig. Zij is een kind van de Cubaanse revolutie en pianolerares en leerde Armando ruim twintig jaar geleden kennen toen ze in Cali als trompettist in een salsaband speelde. Ze gaat om het jaar een tijd terug naar Havanna en spreekt vol liefde over haar geboorteland. ‘Onder Fidel werd het zóveel beter voor iederéén. Natuurlijk zijn er fouten gemaakt. Maar wat denk je dat die blokkade voor effect had en heeft! Cuba is in ieder geval het voorbeeld waarin de doorsnee Latijns-Amerikaanse situatie: veel armen, enkele puissant rijken, werd doorbroken.’

Armando geeft les in kunsten en schildert graag. Hij wordt dan ook nors als een gast aanbelt terwijl dat niet nodig is, iedereen krijgt een sleutel. Hij was ruim tien jaar verslaafd aan drugs tot hij rond zijn 35ste vanuit Bogotá naar Leticia kwam. ‘Ik ontdekte hier natuurlijke medicijnen. Cocapasta in plaats van het chemische cocaïne; tabakspasta in plaats van chemische sigaretten; ayawasca in plaats van crack.’

 

Zijn verhaal komt overeen met dat van Juan Pedro die ik in Mocoa ontmoette waar we samen yagé (is hetzelfde als ayawasca) dronken en ik alles bij elkaar hallucineerde. Het arme Mocoa staat nu in het nieuws omdat er honderden mensen zijn omgekomen vanwege modderstromen. Toen ik er was, sliep ik eerst drie nachten in Casa del Rio. Ongeveer acht kilometer van Mocoa en, zoals de naam al aangeeft, aan de oever van een rivier. Op zondag luierden Kevin, mijn “Franse zoon” die ik daar leerde kennen , en ik samen met tientallen Colombianen in en aan dat kraakheldere riviertje. Tot het rond een uur of vier begon te plenzen. Nog geen twee uur later was dat riviertje veranderd in een kolkende stroom.

‘Zeggeh, zijn we in het hotel wel veilig’ vroeg ik terwijl ik dit filmde.

‘Ja hoor, dit gebeurt heel vaak als het ook in de bergen regent, zoals nu. Maar het stopt ook altijd zoals nu’ vertelde de receptioniste. ‘Ja maar wat gebeurt er als het de hele nacht zou regenen?’ reageerde ik, kijkend naar het waterpeil dat op dat moment inderdaad zakte maar even tevoren nét niet buiten de oevers trad.

Nu blijkt dat in die bergen grote stukken bos gekapt zijn om cocavelden aan te leggen. En die stoppen modderstromen niet. Waar ze nu onheil hebben aangericht weet ik niet maar ik sliep beter toen Kevin en ik naar Dantayaco verhuisden, het hostel van Juan Pedro. Dat evengoed aan een rivier ligt maar veel hoger. Wie de ellende al dan niet hebben overleefd?

 

Hier in het Amazonegebied schijnen zeer veel cocavelden te zijn. Je moet je er vooral niet mee bemoeien maar vangt soms iets op. Zoals de inheemse gids tijdens het roeien vertelde: ‘Toen ik zestien was, had mijn familie onvoldoende te eten. Ik trok toen naar de Peruaanse kant (dit gebied is een drielandenpunt) en plukte er cocabladeren. 500 COP (Colombiaanse peso) per kilo, dat liep op een dag al snel op tot 50.000 (zo’n zeventien euro). Ik legde het geld netjes weg maar de meeste plukkers verbrasten het ’s avonds. Er waren veel vrouwen en bijna iedereen dronk. Cocaïne werd er niet gesnoven, de bladeren werden meteen vervoerd naar laboratoria in de buurt. Van daar ging het poeder op transport. Maar cocabladeren konden we overdag gewoon gebruiken, om het plukken vol te houden. Na twee maanden ging ik weer weg, ik was veel te bang dat ik een keer zou worden geraakt door een kogel. Het ging er ruig aan toe.’

 

Armando is na die “dode jaren” zoals hijzelf zegt en waarin hij de laatste drie jaar letterlijk in de goot belandde, een relaxte vent geworden, buiten de poorttaferelen dan. Vrouwen noemt hij per definitie “Linda” – uitgesproken als Lienda, Spaans voor mooi – en evenals Juan Pedro is hij vol van kosmische ruimtes en het zijn. ‘We zijn allemaal, ieder voor zich, God’ vertelt hij graag.

Dat zijn hotel Ayahuasca heet (hu spreek je uit als w) zegt al genoeg. Het sfeervolle, geheel houten hotel staat in een lommerrijke tuin waarin hij zijn eigen ingrediënten teelt. ‘Maar het zijn medicijnen, geen drugs.’ Ja, ja…

Ik pluk er weer wat nonibladeren die ik sinds enkele weken ’s nachts om drie vingers bind. Ik schrok, toen ik in Sogamoso wat op een gitaar pingelde, ze deden behoorlijk zeer. Afgelopen zomer vertelde de huisarts me al dat ik beginnende artritis heb en dat je daaraan niets kunt doen. Nou, het is alweer stukken beter sinds ik mijn nonitherapietje begon. Vriend Conrad, die ik afgelopen december flink wat bladeren gaf omdat hij vanwege tintelende benen al maandenlang moeilijk kon slapen, kreeg een allergische reactie van de bladeren. ‘Ja, die deden hun werk, die ontgiftten’ wordt hier verklaard als ik dit vertel. Conrad heeft sindsdien géén tintelingen meer gehad. Zegt Klazien oet Zalk…

 

Een geheel andere Klazien is Sergio. Hij is door paramilitairen uit zijn huis in Los LLanos gegooid, heeft het nodige gezworven en is een half jaar geleden met zijn gezin in Puerto Nariño beland. Dit gedeelte van het Colombiaanse Amazonegebied is altijd gevrijwaard gebleven van de burgeroorlog.

Afijn, Sergio is sportleraar en tracht de overwegend Indiaanse kinderen hier de nodige educatie mee te geven. Iedereen gaat wel naar de basisschool maar over het niveau wordt door iedereen gemopperd. In de tien dagen dat ik in het dorpje ben, stijgt het water van de Amazonerivier steeds meer; bij het sportveld van kuitdiep tot heupdiep. Maar de kinderen blijven voetballen! Aan het eind vrijwel alleen koppend…

 

Sergio is drie maanden geleden een echte bioscoop begonnen. In zijn voorkamer heeft hij een tribune gebouwd en een beamer geïnstalleerd en op zijn computer staan de nodige films.

‘Sergio, is de bioscoop open?’

‘Kom over drie kwartier alsjeblieft terug, mijn zoon moet de computer éérst gebruiken voor zijn huiswerk.’

‘Oké…’

 

Anik en ik bekijken El Abrazo de Serpiente. Deze Colombiaanse film haalde vorig jaar de oscarnominaties voor Beste buitenlandse film. Tijdens de uitreiking zat Colombia in spanning aan de buis gekluisterd… Helaas. Maar het is een prachtige film die zich afspeelt in de nabije jungle dus voor ons helemaal leuk om te zien en in veel opzichten erg herkenbaar.

Ik denk dat ik eindelijk de gelegenheid heb om moeilijk te verkrijgbare Colombiaanse films te zien maar dat valt tegen. Daags erop wordt er tijdens mijn aankomst al een Amerikaanse actiefilm gedraaid. Sergio nodigt me van harte uit… ‘Ik kom morgen wel terug Sergio.’

Die dag moet ik dus eerst drie kwartier wachten en daarna kom ik met mijn lijstje. Als ik de namen voorlees, kijkt Sergio’s vrouw bedenkelijk. ‘Dat zijn allemaal wat oudere films uit de tijd van de ontvoeringen en moorden, ik heb geen zin om dat te laten zien, die tijd is voorbij!’

‘Ja maar…’

‘Ze zoekt resoluut een film op: “Colombia mi gente linda, mi gente bella”. Oftewel “Colombia mijn mooie volk, mijn schone volk”. Het is een lachfilm waarbij een droogkloot Zweed een relatie krijgt met een hete Colombiaanse en vervolgens dat land opzoekt. Hij belandt in stereotype situaties en besluit er uiteindelijk te blijven.

De familie van Sergio komt regelmatig meekijken en ligt in een deuk. Het is ook wel grappig maar ik begrijp veel niet omdat er erg snel wordt gesproken, ook nog eens in dialect en ondertiteling onderbreekt. ‘

Dat is toch veel beter’ zegt de vrouw des huizes genoegzaam als ik twee keer 2000 COP overhandig (het dubbele tarief want de bioscoop draait voor minimaal twee personen).

‘Ja hoor, je had helemaal gelijk’ antwoord ik en loop grinnikend terug naar het hotel.

 

De laatste dagen in Leticia hebben Anik en ik vooral zin om weer te vertrekken. Zin in een luxere omgeving, in gevarieerd eten, in niet voortdurend vechten tegen steekbeesten. Er zijn nog wel wat aanvaringen maar we reizen toch heel gemoedelijk samen naar Cali.

Op het vliegveld van Leticia belanden we nog in een vreemde situatie. Zowel Anik als ik hadden onafhankelijk van elkaar contact met een indiaan met verentooi die veel contacten legt met toeristen. Anik had hem een uur daarvoor nog in ons hotel gesproken en aangegeven dat ze eventueel wel een film had willen kopen waarin hij meespeelt maar dat we naar het vliegveld moesten.

Tijdens een pokerspel zien we hem aankomen. Hij loopt voortdurend rond en zoekt kennelijk iemand. Wij proberen geen contact te maken maar dan spreekt hij ons toch aan. ‘Ik ben op zoek naar een goede vriendin uit Cali die mijn film wil kopen, we hebben hier afgesproken…’

We praten enkele minuten maar hij herkent Anik niet. Mij wel maar wij hebben het niet over zijn film gehad. Eng om te zien hoe hij in de war is.

 

In Cali logeer ik negen dagen bij Mèke, de Franse vriendin van Anik en inmiddels ook van mij. Helaas is de situatie niet zo dat wij op dit moment samen onze schouders onder een reisorganisatie kunnen zetten. Tot mijn geruststelling voel ik geen enkele neiging om ruzie te maken met Mèke en dat gevoel is wederzijds. We herkennen het nodige bij onze ervaringen met Anik. Voor Mèke kon het als werkneemster bij haar helemaal moeilijk zijn, ze woonden ook nog eens een kleine twintig jaar samen op het terrein van het kinderdagverblijf. We herkennen zeker ook de fantastische kanten van onze vriendin maar zoals Mèke vertelt: ‘Anik wordt hier nauwelijks tegengesproken op haar divagedrag en daarom is het heel goed dat jij dat wel deed.’

Inderdaad noemde Anik me tijdens de terugreis een leraar voor haar. Ze weet overigens dat ik dit kritische stuk schrijf. Ik benadruk dat het een geweldige vrouw is maar wou ons kattengevecht in de jungle niet achterwege laten. Anik stelde ook voor om samen naar Indonesië te gaan. Wie weet wat de toekomst brengt…

 

Eérst vlieg ik morgen naar Schiphol waar zoon Rick me afhaalt. Daags erop heb ik een afspraak met een KNO-arts om naar mijn trommelvlies te laten kijken. Het voelt goed maar die specialist zal moeten vertellen of een en ander inderdaad goed genezen is. De volgende dag vertrekken Rick en ik voor een maand naar Vietnam waar we in Ho Chi Min City twee brommers willen kopen en daarmee naar Hanoi tuffen. Vervolgens ben ik overwegend in Nederland tot 3 augustus. Daarna laat ik tot de 26ste vriendin Isabel een deel van Colombia zien maar we zullen ook samen terugvliegen.

En dan??? Ik weet het niet, er zal hoe dan ook binnenkort weer geld in het laatje moeten komen. Ik zou dat graag in het buitenland willen doen maar voel me onzeker op welke manier. Ik zou me evengoed ook weer in Nijmegen willen nestelen. Het blijft boven kijf staan dat ik absoluut geen spijt heb dat ik bijna drie en een half jaar geleden de wijde wereld ben ingetrokken. Jeetje, wat een intense tijd, zóveel mensen ontmoet, zóveel beleefd…

 

Of ik doorga met deze blog weet ik evenmin. Maar ik zal in ieder geval laten weten waar het leven me binnenkort naartoe zal leiden…

48 De ellendige burgeroorlog, Los LLanos / Bogotá

Los LLanos. De “plains” oftewel de laaglanden van Colombia. Eindeloze savannes, koeien en paarden. Vlees-, melk- en cowboyland. Een relatief schone en rijke streek met duurdere winkels maar evengoed met harde werkers die worden onderbetaald.

Hoe lieflijk de grazende koeien ook lijken, om de hoek kan de natuur heel anders zijn. De anaconda’s houden weliswaar hun zomerslaap tot het regenseizoen weer begint maar op de juiste plekken zie je vele kaaimannen, slangen, capibara’s (de grootste knaagdieren, een soort reuzencavia’s) en vogels van allerlei pluimage. Helaas wonen hier nog meer muggen maar als gezegd, het is de droge tijd, het valt mee.

 

In Los Llanos is ook veel gestreden en geleden. Nog altijd komen buitenlandse toeristen er zelden; de Lonely Planet besteedt twee pagina’s aan dit gebied dat een derde van Colombia beslaat. Eén pagina aan Caño Cristalles, de bijzondere rivier aan de andere kant van Los LLanos waar ik in september was, en één aan Villaviciencio, een van de poorten van het gebied.

 

Ik reis eerst naar een andere poort: Yopal, de hoofdstad van de provincie Casanare. Ik wil echter de natuur in. Het noordoosten van deze provincie schijnt prachtig te zijn, vergelijkbaar met de Pantanal in Brazilië. Alleen, hoe kom ik daar? ‘Ik wil wel twee dagen mee en daarvoor vraag ik niets, maar het vervoer alleen zal je ten minste 500- 600.000 kosten’, zegt de man van het reisbureautje Conocemos Casanare. Hij heeft voornamelijk groepen Colombiaanse klanten die in het weekend deze streek willen leren kennen. Ik ben alleen en buiten bedenkingen over zijn gezelschap, heb ik weinig puf om enkel voor transport een kleine 200 euro te betalen voor iets waarvan ik niet weet of het loont. Want Colombianen hebben nu eenmaal vaak een ander beeld van wat mooi is dan buitenlanders.

 

Hetzelfde geldt voor wat hij me daarnaast aanbiedt: anderhalve dag verblijf op een boerderij voor 250.000 COP, exclusief vervoer. Hoewel dat evengoed duur is, doe ik het toch. Ik wil dat platteland op! Ik kan de finca – boerderij – bereiken met een bus die om half zes ’s ochtends vertrekt. Als ik erop wacht, dringt een man aan dat ik beter met hem kan meerijden. Hij draagt kleren van een vervoersbedrijf maar wijst naar een doorsnee pick-up. Ik wijs af, twijfel, en stap uiteindelijk toch in. Stom misschien maar alles verloopt goed. De man pikt meerdere passagiers op, hij maakt inderdaad deel uit van het transportsysteem.

Even na zessen wandel ik al over het pad naar de boerderij. Het is nog wat nevelig, alles lijkt in rust behalve twee kleine uiltjes die me proberen af te leiden van een boomstronk die overduidelijk hun nest is. Eenmaal bij de boerderij, begroet Rosa me, een donkere dame van 48 die aangeeft dat de eigenares er niet is maar dat ik voor wat dan ook bij haar terecht kan. Ze doet haar best om gasten het naar hun zin te maken en hetzelfde geldt voor don Miguel, die over de dieren gaat. Maar wat ik al vreesde, het “ruim twee uur paardrijden” wordt een klein rondje, samen met twee aardige dierenartsen, die tijdens de paar uur dat ze hier zijn, hun driejarig zoontje voor het eerst meenemen op een paard. Het melken en lassowerpen de volgende ochtend stelt ook weinig voor in bijzijn van een groep Colombianen die vooral onderuitgezakt aan het zwembad wil liggen. En de door de kokkin weliswaar liefdevol bereide maaltijden zijn heel karig omdat ze maar heel weinig ingrediënten in huis heeft. ‘We leven hier als slaven’, vertrouwt Rosa me al snel toe. Ik hoor haar aan met dubbele gevoelens, heb weinig puf om tijdens mijn duurbetaalde uitje ook nog naar gemopper te luisteren. Maar de band met Rosa groeit en uiteindelijk is haar verhaal het werkelijk waardevolle tijdens mijn verblijf hier. Overigens noem ik haar voorzichtigheidshalve anders dan haar echte naam.

 

Terwijl Rosa met mij door de directe omgeving wandelt, vertelt ze dat morgen haar laatste dag is. ‘Anderhalf jaar heb ik hier geploeterd, dag na dag. En waarvoor deed ik het? 600.000 COP per maand (net geen 200 euro)! Als ik al een vrije dag had, kon ik toch niet weg want de dag is zó voorbij en mijn woonplaats Mani, op uren rijden.’

‘En dat terwijl we zélf een grote boerderij bezaten, met bijna duizend koeien’ vervolgt Rosa terwijl we ’s avonds tot mijn tevredenheid uren in het zwembad liggen. Het is namelijk Rosa’s eerste keer dat ze dit doet, net zoals ik de kokkin voor het eerst meekreeg voor het korte kanotochtje waarbij we heel wat wild spotten: vogels maar ook kaaimannen, schildpadden en een casadora, een lange dunne slang.

Afijn, Rosa en ik lurken aan de drank terwijl ze verbitterd om zich heen zwaait. ‘Heb je enig idee hoe het voelt om zelf zoveel te verliezen en dan voor een hongerloontje voor een ander te moeten werken?’

 

Het waren de paramilitairen die plots haar boerderij binnendrongen. ‘Ze begonnen met het eisen van geld. Eén miljoen, twee miljoen, tien…’ vertelt Rosa met vlakke toon en dan worden haar ogen vochtig. ‘En toen kwam er het moment dat ze een geweer tegen het hoofd van mijn man drukten. “Opgedonderd, of…”.’

Het echtpaar ging, alles achterlatend. Wetend dat tegenstand zo goed als zeker leidde tot liquidatie. Wetend ook dat de politie eerder de paramilitairen zou steunen dan hen. Dus dat om hulp vragen letterlijk levensgevaarlijk was. Ze hadden bij zoveel anderen gehoord hoe het afliep…

Hun enige kind was al op haar vijftiende, zwanger en wel, bij haar vriend gaan wonen en Rosa en haar man trokken getweeën van hot naar her. ‘Een jaar later gingen we toch weer terug naar Mani. Ons leven was dáár, mijn man werd er enorm gerespecteerd. Maar over wat er was gebeurd, durfden we met z’n allen nauwelijks te praten. Er woonden mensen op onze boerderij die deze voor een appel en een ei van de paramilitairen hadden gekocht. Ik heb ze nooit willen zien. Iedereen wist: als we zouden klagen, zou dat ons eind kunnen zijn. En het werd het eind, van mijn geliefde man. De eerste hartaanval overleefde hij nog, de tweede niet. Het kwam door de situatie, het maakte hem kapot.’

 

Rosa zelf had het ook helemaal gehad, ze wilde niet meer eten. ‘Ik heb een half jaar in een opvanghuis voor anorexiapatiënten geleefd waar ik weer leerde eten, dat kostte me wel mijn laatste spaargeld.’

Dit alles is nu tien jaar geleden, sinds twee jaar heeft ze weer een vriend. ‘Een militair, kun je je het vóórstellen? Ik heb wel een half jaar de boot afgehouden maar het was liefde op het eerste gezicht. Hij is net zo serieus en betrouwbaar als mijn man en heeft heel veel geduld gehad met mij. Het was zó moeilijk om die stap te zetten naar een ander… Maar zoals hij zegt: je man is dood en het leven gaat door… Helaas kan mijn dochter nog steeds niet accepteren dat ik een ander heb. Dinsdag zien hij en ik elkaar weer, na négen maanden! Hij is gelegerd aan de andere kant van het land, we konden elkaar niet zien, enkel Whattsappen, continu. Maar nu gaan we een maand reizen door Colombia. Ik kan het nog steeds niet geloven…’

Ook tegenwoordig wil Rosa niet proberen om haar boerderij weer terug te krijgen. ‘Het is te onzeker, het rijt teveel open, ik wil er niks meer mee te maken hebben. Een nicht woont in Canada, ze heeft me al gevraagd of ik daar niet naartoe wil om weer te werken als kapster, mijn eigenlijke beroep. Is het er koud denk je?’

De volgende dag wandelen we weer door de omgeving en vraagt Rosa me herhaaldelijk om haar op de foto te zetten. ‘Zo heb ik toch wat herinneringen aan deze plek. Maar ik zal blij zijn als ik vanmiddag weg kan rijden op mijn brommer. Een cadeau van mijn vriend…’

 

Een paar dagen later reis ik hudje mudje in een boot over de Meta-rivier. Mijn stoelburen zijn Carlos, een rijke bouwkundige ingenieur en een dame die oorspronkelijk uit San Vicente komt, waar lange tijd de guerrilla het voor het zeggen had. ‘Toch was dat niet zo erg als op plekken waar guerrilla, leger en paramilitairen de macht afwisselden’ vertelt ze. ‘Want daar hoorde je heel vaak dat burgers werden gedwongen om een bepaalde groep te helpen, om vervolgens te worden vermoord door een andere groepering omdat ze de vijand hadden geholpen!’

Carlos is een aardige, goedlachse man die vooral tegen de guerrilla’s is want ja, ‘bezit is toch je goed recht en al die communistische ideeën…’

Mijn buurvrouw vertelt hoe de guerrilla twintig jaar geleden bij haar ouders op de boerderij huishielden. ‘We waren met veertien kinderen maar verschillende waaronder ik waren het huis al uit. De guerrilla plukten mijn ouders leeg. Zoals het voor welke groepering dan ook heel normaal was om in een restaurant te eten of spullen uit winkels te halen; je moest het niet wagen om over betalen te beginnen. Mijn vader deed dat wel en kreeg beng een kogel door zijn hoofd. Twee jongere broers van mij zijn meegenomen en we hebben nooit meer iets van ze vernomen. Mijn moeder leeft dus al twintig jaar in de onwetendheid of ze nog leven of niet. We proberen het wel te achterhalen maar tot nu toe heeft die zoektocht niets opgeleverd.’

 

De volgende dag logeer ik in een hotel in Barranca de Upia. Het wordt gerund door een jonge vrouw van wie haar halve familie is uitgemoord, hoor ik in het dorp. Ik heb al een prettig contact met haar en maak een algemene opmerking over dat ik hoop dat het leven hier voortaan veel vrediger zal zijn. Ik zie dat ze een veelbetekenende blik werpt op haar moeder maar ze houden hun mond en ik dus ook. In deze streek zit onpeilbaar verdriet. Ik vertel soms wel eens over hoe anders de situatie was in Europa na de Eerste en de Tweede Wereldoorlog. Hoe juist de verzoenende houding naar de Duitsers toe leidde naar een langdurige vrede. Ik kan natuurlijk niet oordelen over wie al dan niet fout waren en zijn tijdens de oorlog in Colombia, evenmin geheel invoelen tot welke pijn dat leidde. Maar dat de strijd moet stoppen om iets op te kunnen bouwen, lijkt me duidelijk. Ik haal graag Mandela’s verzoeningspolitiek aan. Ik voel me vooral gezegend geboren te zijn in een land waar je niet zo snel wordt vermoord of uit je huis gegooid.

 

Het is heus niet allemaal ellende in Los LLanos. Ooit alleen in een sauna geweest? Niet alleen náár maar ín de sauna? Ik zit er bijna twee uur onder een natuurlijke warme douche met uitzicht op een koude waterval. Ernaast borrelt petroleum uit de grond. Even verderop zit ik in de “Turco”, afgeschermd met golfplaten en plastic maar toch heel natuurlijk omdat het is gebouwd op een rivier met stomend water. De sauna ligt op tien kilometer van de doorgaande weg. Colombianen staan versteld dat ik dit lopend doe, het is juist een schitterende wandeltocht! Ach ja, dat verschil dus. Gedurende de week dat ik in Los LLanos ben, zie ik geen enkele andere buitenlander.

 

In Bogotá ligt dat anders. Deze keer logeer ik in een hotel in het centrum en hang de toerist uit. Ik bezoek het Goud- en het Nationaal Museum, neem deel aan een fietstocht en een graffititour en verleng tussen honderden Venezolanen probleemloos mijn toeristenvisum met drie maanden.

Ik heb ook een lunchafspraak met Thomas die in 2004 Erik ontmoette tijdens de wandeltocht naar Cuidad Perdido en vervolgens samen een reisbureau opzette: De Una. Erik woont inmiddels met zijn gezin in Salento in de koffiestreek; Thomas met zijn gezin in Bogotá; en Martijn die meeluncht en sinds vijf jaar bij De Una werkt, verhuist dit weekend met zijn gezin naar Cartagena.

Feitelijk hebben de heren dezelfde organisatie opgezet als ik voor ogen heb, zij behoren tot de pioniers. ‘Jarenlang was het vechten om voldoende opdrachten binnen te halen, tegenwoordig hebben we het goed voor elkaar’ vertelt Thomas tevreden. Ze doen veel maatwerk en werken daarnaast voor diverse reisbureaus in Nederland. Ze hebben mij daarvoor niet nodig of ik zou écht wat anders moeten bieden zoals een rondreis Colombia Literair of Colombia Culinair. Daar zit dus een uitdaging maar als ik terugwandel naar de binnenstad voel ik me vooral down. Ik wil óók samenwerken en niet in mijn eentje opereren. Bovendien gaf Thomas aan dat er weliswaar nog heel veel ruimte is voor reisorganisaties maar dat het niet zo eenvoudig ligt als in 2004. ‘Er zijn veel regels bijgekomen. Paardrijden in een nationaal park? Vergeet het maar als officiële organisatie. Je moet ook een certificaat hebben dat je milieuvriendelijk werkt. Dat is natuurlijk een mooie doelstelling maar het vergt wel veel regelwerk. Niet voor niets beginnen de meesten tegenwoordig heel klein, reis voor reis, en dan alles zelf doen.’

 

Ik voel me alleen en ben blij dat ik morgen samen met Anik naar Leticia vertrek, de hoofdstad van het Colombiaanse Amazonedeel. Hier zullen we 26 dagen doorbrengen en we zijn van plan om diep de jungle in te gaan. Hoe dat zal uitpakken?

 

Ps Er wordt terecht gemopperd dat ik geen foto’s meer plaats. Ik zit aan het plafond qua ruimte en moet nog zien hoe ik dat ga oplossen. Maar als je op internet de plaatsen die ik beschrijf opzoekt, zie je natuurlijk ook het nodige…

47 Uitdagingen op grote hoogte; bergen in Santander en Bocaya

 

 

‘We must take adventures in order to know where we truly belong’

Dalai Lama

 

Inmiddels ben ik bijna 56. Het lijf wordt strammer, de geest vergeetachtiger en zeikeriger. Het vele contact met jongeren werkt lauwerend maar maakt evengoed het verschil pijnlijk duidelijk. Het vele: ‘wat heeft u’, en later, ‘heb jij een energie!’ is natuurlijk een opsteker evenals de intensiteit van het reizen. Wat ik twee maanden geleden meemaakte lijkt alweer een jaar terug. Evengoed zijn er dagen waarin ik nauwelijks wat anders doe dan contacten onderhouden, lezen, film kijken en scrabbelen via het mobieltje. En terwijl het roken definitief afgezworen lijkt, lukt het maar niet om verder af te slanken. Het komt dus goed uit dat ik de komende tijd in de bergen zal zijn en wel ten noordoosten van Bogotá.

 

Colombianen zijn trots op deze streek waar onder leiding van Simon Bolivar beslissende veldslagen tegen de Spanjaarden werden gewonnen. De kolonialisten lieten wel prachtige stadjes achter, gekenmerkt door witte of juist bontgekleurde huizen met houten balkons, kinderkopjes op straat en centrale pleinen met vaak grote kathedralen. De gebouwen zijn vaak zo goed onderhouden dat het een Disneygehalte heeft. Toerisme bestaat hier al wat langer, mede doordat de streek weinig last had van de burgeroorlog. Toch krijg ik niet het “wandelende portemonnee-gevoel”. Het is al met al een relatief welvarend vruchtbaar gebied met aardige, hardwerkende, vrome mensen.

 

Via zo’n koloniaal plaatsje Girón en Santanders hoofdstad Bucaramanga reis ik naar een uithoek in Norte de Santander: Playa de Belen. Vanwege de geïsoleerde ligging komen er nauwelijks toeristen maar de rotsformaties zijn wonderschoon en doen denken aan die in het Turkse Cappadocië. Een enthousiaste dorpsgids Julián leidt me rond.

‘Het moet wel bijzonder zijn geweest om hier als kind op te groeien. Jullie speelden hier zeker vaak verstoppertje of beklommen deze pieken?’ vraag ik terwijl we door een labyrintachtig gedeelte lopen, direct aan de weg naast de dorpskern.

Tot mijn grote verbazing antwoordt mijn begeleider: ‘Tot ik op mijn veertiende begon met rondleiden, ben ik hier nooit geweest. Heel veel mensen uit het dorp hebben dit gezien.’

Ik vind dit zó tekenend! Het valt toch niet voor te stellen dat Nederlandse kinderen en evengoed volwassenen nooit eens zouden kijken als ze dírect, en ik bedoel op vijf minuten loopafstand, van bijzondere, Dali-achtige grillige gevormde rotsen zouden opgroeien!

Maar ja, van jongs af aan staat hier meewerken in het huis en boerenbedrijf centraal. Evenals op school en in de kerk leren Colombiaantjes vooral om traditie kritiekloos te aanvaarden. ‘Het ontbreekt ons aan educatie’ zegt een goed onderlegde boer met wie ik in de bus uitgebreid in gesprek ben. Hij stapt tegelijk uit met een man die me als vanuit het niets een bijbel wil geven. ‘Heel aardig maar ik geloof niet in God’, reageer ik tot hun ontsteltenis, eraan toevoegend: ‘Hoe groot acht u de kans dat u in God zou geloven als u in India was geboren?’

Ik weet dat zulke opmerkingen inslaan als een bom en laat ze daarom doorgaans achterwege. Anderzijds, ook hier horen en zien mensen via het nieuws dat niet de hele wereld in hun God gelooft en toch raken ze helemaal van slag als ze een blanke tegenkomen voor wie dat geldt. Ik ben al verschillende Colombianen tegengekomen die niet meer geloven maar voor wie de hel zou losbreken als ze dat ook zouden vertellen. Een beetje doorprikken lijkt me niet verkeerd. Zo hoorde ik dat de indianen in La Guajira nog altijd meisjes besnijden. Geen idee of het verhaal klopt maar zo ja, sorry traditie…

 

Voorlopig zit ik weer eens in de rats vanwege Venezuela. Nee, de grens ga ik voorlopig heus niet over maar van Playa de Belén kan ik binnen de mij geplande cirkel evenmin via het binnenland reizen. ‘Daar rijdt geen bus, er zitten nog paramilitairen’ wordt me verteld. ‘Je moet naar Cucutá reizen en dan door naar het zuiden.’

Oké. Cucutá is een grote grensplaats met Venezuela. Als ik uit de bus stap word ik belaagd door Venezolanen. ‘Wil je dollars ruilen voor Bolivars?’

Als ik een kaartje naar Capitanejo wil kopen, dat is op de route naar Bogotá, word ik doorgesluisd naar een afgesloten kantoortje. Een man zit als in een maffiafilm achter stápels met geld.

‘Zo zo… Goede zaken’ roep ik lachend.

‘Helemaal niks waard’ antwoordt de man. ‘Wil je Bolivars kopen? 3300 voor een dollar.’

Ruim een jaar geleden lag die koers op pakweg 850 voor een dollar. Ik kan vast nog heel wat meer krijgen dan bij zo’n eerste bod aan de grens.

Venezolanen worden steeds wanhopiger. Er zijn tegenwoordig zelfs bootvluchtelingen naar Aruba en Curaçao á la Mediterrane toestanden en in Colombia kom je overal Venezolanen tegen die recentelijk al dan niet legaal zijn overgestoken. De algehele verhalen: het land raakt steeds geïsoleerder; er valt in hun vaderland steeds minder te krijgen en geïmporteerde spullen worden steeds onbetaalbaarder in Bolivar; de dictatuur verergert evenals de dreiging van levensgevaarlijke criminelen.

Ik volg momenteel de serie Homeland en ben nu in de derde serie waarin Brody wordt vastgehouden in Caracas. Die straattaferelen… Zo ongeveer zag vorig jaar het centrum van tweede stad Maracaibo eruit toen ik er zwart moest wisselen. Omdat ik volgens de officiële koers slechts 7 Bolivar voor een euro zou krijgen wat het land onvoorstelbaar duur zou maken.

 

Maar, kreun, ik ben wederom een blonTje…

‘Hoeveel geld draag je bij je?’ vraagt de man.

Ik ben verbaasd. ‘Waarom zou ik dat vertellen?’

‘Omdat onze busmaatschappij heeft besloten om eventuele onkosten te vergoeden!

Hij toont me een schrift. ‘Kijk maar, deze mensen hadden bijvoorbeeld 300.000 COP (Colombiaanse peso) bij zich en 2000 dollar, en die persoon 500 dollar…’

Het begint me te dagen. Waarom zouden al dan niet wanhopige Venezolaanse criminelen niet de grens overgaan om mensen hier te bestelen? Kreun, zit ik wéér in die miserie…

‘Er is niks aan de hand hoor’ vervolgt de man. ‘Nou ja, twee weken geleden… Stop in ieder geval al je geld in je schoen; nou ja, op een beetje na dan. Maar er is niets aan de hand, daarom nemen wij de verantwoordelijkheid van het geld op ons. Hoeveel heb je bij je?’

Overdonderd som ik het op: 50 euro, 300 dollar en 300.000 COP. Tegelijkertijd vraag ik me af of de man geen commissie krijgt als hij dit doorgeeft aan Venezolaanse bendes. Omdat ik een korte broek draag, snoer ik geld, pasjes en mijn paspoort in mijn geldbuidel dubbel om mijn bovenbeen. Je middel is het éérste waar dieven kijken, dunkt me.

Ik zit echter veel meer met mijn computer en mobiel in mijn maag. In de bus steek ik de computer tussen mijn stoel en buswand en prop een jasje met daarin mijn mobieltje er nonchalant op. Ik ben voortdurend blij als we in konvooi rijden door het berglandschap maar die stomme chauffeur moet natuurlijk weer zo nodig inhalen en voortjakkeren…

Gelukkig is de streek niet zo eenzaam als die waar ik vóór Cucutá doorheen kwam. Het schiet ook op en al snel verlaten we bij Pamplona het directe grensgebied met Venezuela. Daarna hobbelen we nog urenlang over een onverharde weg tot ik om half tien ’s avonds eindelijk de bus kan verlaten. Het was een mooie streek om doorheen te reizen maar voorlopig komt die niet in het programma van Colombia Diferente!

 

De volgende ochtend reis ik verder naar Guicán, één van de twee dorpjes in nationaal park El Cucuy die tot voor kort werden “overstelpt” – voor Colombiaanse begrippen, tot zo’n 500 mensen per dag – met toeristen. Hier bevinden zich vijftien 5000+ en zes iets lagere pieken naast elkaar met, hoewel steeds minder, sneeuw en gletsjers. Vooral het pad eromheen was zeer populair maar… zowel dat als het gehele park is gesloten. De aanslag op de natuur was té groot. Volgens wat gidsen en hoteleigenaren die ik spreek viel het wel mee maar ja, zij zitten nu met een grote strop.

Er is vrijwel geen toerist meer, Ik heb afgesproken met leeftijds- en landgenoot Peter. We hebben elkaar ontmoet in Suriname en hij zit aan het eind van een vijfmaandse trip door Colombia en Ecuador. We maken twee nog altijd prachtige wandelingen net buiten het nationale park maar of ik het park meeneem in mijn aanbod?

 

Van hieruit willen we naar Barichara, één van de snoezigste koloniale stadjes van Colombia. De weg erheen loopt óf via een omweg naar het noorden, óf via een in het zuiden maar er is op de kaart ook een weggetje te zien dat er loodrecht naartoe leidt. ‘Zullen we dat doen?’ stel ik voor. ‘Dat kán avontuurlijk worden…’

Peter stemt in maar kijkt tijdens de reis steeds bedenkelijker. ’s Avonds zijn we via een omweg hemelsbreed slechts iets meer dan tien kilometer gevorderd, er rijden nauwelijks tot geen bussen. Maar we vinden een uitstekend hotel en de volgende dag gaat het juist heel snel ondanks dat we dwars door de bergen rijden over een grotendeels onverharde weg. Maar dat maakt ook net het verschil! We zien geweldige vergezichten en beleven het echte Colombiaanse platteland. Zo stappen er voortdurend schoolkinderen in – we vertrokken al om half zes – die vaak de terugweg moeten lopen.

 

Barichara is inderdaad heel mooi á la Girón en ook Villa de Leyva waar ik later heenga. We zitten in een gezellig hostel waar de Duitser Ralf vertelt hoe hij op zijn fiets – hij is in Alaska vertrokken – is beroofd op “mijn” enge stuk. ‘Twee gewapende mannen die opeens uit de bosjes kwamen. Ze waren gelukkig wel aardig, ik mocht mijn geheugenkaart uit mijn fototoestel halen en mijn paspoort houden. Maar de waardevolle spullen ben ik wel kwijt.’

Met een Belgische leeftijdsgenote Barbara wandelen Peter en ik naar een nabij dorpje. Barbara en ik zijn al snel aan het kakelen en gaan daar de komende dagen mee door. Behoorlijke soulmates zogezegd. Barbara is afgekeurd en daarmee de rest van haar leven verzekerd van een basisinkomen. Ze heeft al ruim tien jaar een huis op het Hondurese eiland Utila en heeft sowieso al veel gereisd. We brengen samen drie dagen door in San Gil waarna zij afreist naar de Caraïbische kust.

San Gil staat bekend als Colombiaas hoofdstad van de extreme sporten en ik maak er direct gebruik van. ‘Schrijf mij maar in om morgen te paragliden in de Chicamocha-kloof roep ik stoer, om de rest van de dag zenuwachtig te zijn. We zijn met een sjamaan zwemmen en hij zag in een visioen “dat die vriendin van Barbara heupproblemen heeft”.

‘Nou nee’, zeg ik naar waarheid, ‘hoewel sinds mijn bevallingen het pijn doet als ik op mijn zij op een harde ondergrond lig.’

Tupac schudt met zijn hoofd. ‘Dat is het niet.’

‘Ik ga morgen wél paragliden…’

‘Nu begrijp ik het’ verkondigt de sjamaan fronsend.

Leuk hoor, bén je al zenuwachtig, krijg je dát erbij. Ik vind het geen reden om de vlucht te annuleren. Kan ik alsnog in paranormale krachten geloven met mijn heupen in het gips of erger…

 

‘Hé hó, wacht ff. Jullie zouden éérst mijn vest aantrekken; dan mij verbinden met de parachute en de piloot; dáárna zou ik oefenen hoe mijn armen door de touwen moeten gaan, hoe ik moet zitten en rennen en dán pas zou het “ready for take off” zijn… En nu gooien jullie me direct de berg af?’

Dit is een latere gedachte, de eerste is een schreeuw: ‘Ho stop, Ik zit nog niet vast aan de parachute en piloot!!!’

Maar natuurlijk is dat wel het geval, ik was gewoon geconcentreerd op het vastgespen van mijn vest en had niet door dat tegelijkertijd achter me, ze me verbonden met de twee essentiële levensaderen van het komende halve uur. En waarom zouden ze wachten op een mogelijk drama van trillende zenuwen en weigering… Hup, die berg af!

 

Ik heb verdorie nog niet eens de tijd gehad om Julian te vragen hoe lang hij al vliegt, hoe vaak hij dat doet en hoeveel noodlandingen hij heeft meegemaakt. Hij schreeuwt mij wel toe: ‘Zitten!’

Eigenlijk vind ik het wel best dat onze start letterlijk en figuurlijk vliegend is. Zeker omdat het vliegen zelf wilder is dan verwacht. Ik zat zo’n twintig jaar geleden in een luchtballon. Het grappige daar is, dat je met de wind meegaat dus die ook niet voelt. De piloot kan enkel stijgen en dalen en bij de landing moet je maar zien waar je terechtkomt. In ons geval sleepte onze mand tot drie keer toe door een sloot in de Alblasserwaard.

Bij paragliden kan de piloot heel veel sturen, door het zeil aan een bepaalde kant in te trekken. Hij zoekt warme thermiek op om te stijgen en de Chicamocha-kloof staat erom bekend dat er zóveel warme thermiek is, dat je doorgaans eindigt waar je bent begonnen: boven op de berg. Maar het hobbelt en draait behoorlijk in je stoeltje. Bovendien zijn we vroeg vertrokken op een bewolkte dag, de lucht is nog niet zo warm. Dus landt een lotgenoot na 25 minuten beneden bij de rivier en Barbara, die eigenlijk alleen wou kijken maar uiteindelijk ook de sprong waagde, al na vijftien minuten, wat ze prima vindt. Terwijl Julian en ik ook al snel vrij laag zitten en ik achteraf hoor dat juist hij vaak al vroeg weer ter aarde keert, wil hij kost wat kost landen op ons vertrekpunt. We stijgen en we dalen, we draaien en we hangen stil, en dat laatste natuurlijk vooral nét boven elektriciteitsdraden of dicht bij een boom of berghelling.

‘Julian, heb je er nou nooit last van dat je opeens omlaag duikelt, ergens tegenaan?’

‘In de twaalf jaar dat ik dagelijks vlieg nog nooit’, roept hij terug en dat stelt me gerust. We vliegen samen met nieuwsgierige vogels en Julian bekijkt ook hen nauwkeurig omdat ook zij graag gebruikmaken van warme thermiek. Ik zing Como un pajaro libre… Hoe is het toch mogelijk dat wij daadwerkelijk kunnen vliegen als een vogel!

We stijgen en we dalen en één keer geeft Julian aan toch maar naar de alternatieve landingsplek drie te gaan, als we tóch weer stijgen. Zeker hoog is het landschap adembenemend. Een andere groep vertrekt later en zit nog veel hoger, soms stijgen ze wel 3000 meter! Juist hoog in de lucht doet de piloot soms acrobatische toeren maar als we eindelijk hoog genoeg zijn om te landen, vindt Julian het welletjes. We zijn 1 uur 27 minuten in de lucht geweest en landen perfect op onze berg. Dagenlang ben ik in een enthousiaste roes dat ik dit heb gedaan. Een prachtige beleving.

 

Dat geldt ook voor Refugio la Roca. Het is een toer om dit hostel te bereiken, het bevindt zich op een tafelberg in het Chicamochagebied. Een uitgebreide streek met veel kippenboeren, geen wonder als je ziet hoeveel kippenvlees in Colombia wordt gegeten…Maar op een klein hoekje van die tafelberg ligt Refugio la Roca. Populair onder klimmers, ik ging er naartoe omdat ik las dat je daar in hutjes kunt slapen die zich boven de afgrond bevinden. En dat doe ik.

 

Mijn hutje is 2 x 2 meter, waar de “veranda” van 1 x 1 meter moet worden afgetrokken. Als mijn benen daar buitenboord bungelen, bevinden ze zich zo’n 300, 400 meter boven de afgrond. In mijn huisje moet ik kruipen want het is slechts anderhalve meter hoog. Vanaf het bed kijk ik door een raam op de bergen aan de overkant van de kloof. Ik volg yogalessen met hetzelfde uitzicht, het is hier wonderbaarlijk mooi.

De sfeer is ook uitstekend. Soms gedragen jongeren zich kil naar mij, heel vaak juist niet. En hier word ik meteen opgenomen in het stoere wereldje van klimfanaten.

Ik heb zelf ook een jaar of wat geklommen met Paul, wekelijks in een klimhal en uiteindelijk in de Ardennen. Dat ligt alweer vijftien jaar achter me en tegenwoordig ben ik vooral erg stijf, te dik, slap en onzeker. Ik ben dan ook niet van plan om het nog eens te proberen en maak een schitterende bergwandeling, voor het eerst met GPS. Volgens Silvio van La Roca ben ik de eerste die er enthousiast over is en dat terwijl ik er helemaal aan moet wennen. Maar terwijl ik anders zeker diverse keren onzeker was geweest over welk pad ik moest nemen, zie ik nu heel snel of ik al dan niet de juiste richting neem. In dit geval is de wandelroute aangegeven maar ik moet me toch ook meer gaan verdiepen in het gebruik van Google Maps in het algemeen. Heel stom, ik denk er gewoon niet aan, zoals veel leeftijdsgenoten overigens. Terwijl jonge reizigers het heel gewoon vinden om zich daarmee te oriënteren en hotels en andere plekken te vinden.

 

Daags erop laat ik me toch overhalen om te gaan klettersteigen. Bergwandelen waarbij je je vastgespt op gevaarlijke punten en soms wat moet klauteren. Ook dat heb ik vroeger wel eens probleemloos gedaan maar deze keer ben ik zenuwachtiger. We zijn met zijn zessen: drie fanatieke klimmers, twee yogaleraressen en ik. Het gaat redelijk tot we bij een plek komen waar je circa twintig meter afgrond moet overbruggen via stalen “nieten” die zich gemiddeld op ruim een meter afstand van elkaar bevinden. Ze zijn glad evenals de bergwand die soms zelfs wat uitsteekt. Natuurlijk is er het touw waaraan je jezelf vastklikt maar als je dát gebruikt voor je handen om je aan vast te houden, dan ga je achterover hellen. Ik zie mezelf halverwege al krachteloos bungelen waarbij ik heus hulp zal krijgen maar of dat allemaal leidt tot een geweldige ervaring? Nee, hoe lief de anderen me ook willen helpen, ik beslis al snel dat ik het risico niet neem en met alle plezier op de anderen wacht, de terugreis is dezelfde route. Ruth, een Amerikaanse yogalerares wier man net op 32-jarige leeftijd is overleden en die hier weer op krachten komt, doet het wel. Ze bereikt bleekjes de overkant maar overbrugt de kloof tijdens de terugreis zelfverzekerd, zo snel leer je grenzen verleggen tijdens dit soort activiteiten. Maar goed, net als de anderen is zij heel flexibel en ik niet, ik heb geen spijt van mijn beslissing.

 

Oudere reizigsterblues…

Oeps, ’s nachts borrelde het al. Als ik ’s ochtends wakker word weet ik: ik moet als de wiederweerga naar de wc. Snel de hoognodige kleren en schoenen aan en uitzonderingswijze laat ik de rest voor wat het is, de sluitspieren zijn niet meer zo betrouwbaar als ze ooit waren. Dus ik kruip mijn hutje uit en klim en ren zo snel mogelijk naar de eerste wc: bezet. Snel naar de tweede, die vervelende met die scheefhangende louvredeurtjes die moeilijk sluiten. Daarmee vecht ik terwijl ik al op de closetpot zit om vervolgens te ontdekken dat de grote wc-rolhouder leeg is. De afgelopen dagen heb ik dat nooit meegemaakt en waarom nu net wel, terwijl ik in de haast mijn eigen voorraad niet bij me heb en wél het nodige te poetsen.

In Latijns-Amerika mag je – met uitzondering van Suriname – vanwege de smalle afvoerleidingen geen wc-papier in de pot gooien. Ik kijk naar de volle afvalmand naast me en scheur met walging stukjes papier af die ongebruikt lijken. Als de klus geklaard is, draai ik me om om door te spoelen. Bovenop het waterreservoir grijnst me een rol hagelwit schoon papier toe. De douche, helaas met akelig koud water in deze bergen, is nabij…

 

Vanaf Refugio de Roca wil ik eigenlijk éérst naar Sogamoso en dán naar Villa de Leyva. Vanwege een wielerwedstrijd moeten we echter drie uur bij een wegrestaurant wachten en de scheurende chauffeur denkt daarna helemáál dat hij Montoya is. Bij Tunja vind ik het wel best, éérst Villa de Leyva.

Rond negen uur ’s avonds kom ik in het schilderachtige stadje aan samen met Pierre, een aantrekkelijke dertiger die in Bordeaux leeft van het regelen van locaties en accessoires voor films. Gérard Depardieu kan enkel zijn tekst nog maar onthouden als iemand die groot laat zien, bij voorkeur op een buik vóór hem. En zo vertelt Pierre meer sappige filmdetails terwijl we op het grote plein van Villa de Leyva de lokale aguardiënte uitproberen en hij om zich heen tuurt want ja, ‘J’aime les femmes!’.

Het is zaterdagavond en druk in Villa de Leyva, vooral met mensen uit Bogotá dat op 2,5 uur rijden zuidelijker ligt. Het wit-zwarte Villa de Leyva ligt omgeven door een glooiend berglandschap dat ook wel Frans aandoet, ik zou er eventueel wel kunnen wonen. Pierre noemt het “te Disneyachtig” maar het leeft meer dan Barichara en ik zoek een combi met toerisme buiten een grote stad.

Diep in de nacht wankelen we over de kinderkopjes terug naar onze naastliggende hotels. Ik weet niet meer precies welke kamer ik heb en probeer deur nummer negen. Die opent meteen waarop een hele familie overeind schiet: ‘Wat moet jij hier?’ Ik stamel een excuus en vind vervolgens mijn kamer, nummer dertien. Ik kon de andere deur openen omdat die familie die niet had afgesloten, beweren moeder en dochter gastvrouw me de volgende dag.

In de middag vertrekt Pierre naar Los Llanos. Zodoende zal hij nog een heel ander stuk Colombia meepikken vóór hij via een Bogotaas vriendinnetje terug zal keren naar Bordeaux. Daar zal hij weer negen maanden zich te pletter werken en in de winter zijn volgende grote reis ondernemen, wie weet wederom Colombia. Want het blijft een feit: vrijwel iedere backpacker is weg van dit land.

Ik blijf nog een paar dagen in Villa de Leyva maar kijk veel films, buiten de ochtend regent het veel. Ik verleen tijdens een wandeling nog wel assistentie bij een fietsende Colombiaanse die in een afdaling op een klungelige manier door haar vriend onderuit wordt gereden. ‘Waarom liet je me vallen?’ blijft ze huilen en klagen met lange uithalen als in een opera, terwijl hij onhandig blijft en aan haar ledematen begint te trekken en pompen, vóór duidelijk is dat het waarschijnlijk wel meevalt met het letsel. Vrouwlief verdwijnt uiteindelijk jammerend in een taxi en man en ik brengen de fietsen terug. Ik fietsend, hij rennend want zijn remmen doen het niet, beweert hij nu. Handig in de bergen…

 

Sogamoso is geen mooie stad maar de omgeving wel. Ik logeer in Finca San Pedro. “The English speaking hosts make you feel like part of the family” staat in de Lonely Planet en inderdaad, als ik na een week vertrek is het afscheid warm. Ik was weer eens de geliefde mammie van de groep.

Soms heb ik er lol in om bijvoorbeeld Franse jongeren haarfijn uit te leggen waar ze een ayawascaceremonie kunnen meemaken. ‘Avez vous… as tu…?’ vraagt Leo met grote ogen, om meteen te bedenken dat hij zich niet kan voorstellen dat zijn ouders…

‘Wij zijn kinderen van de jaren zestig hoor’, reageer ik plagend.

‘Kan wel zijn maar mijn ouders… Zo zie je maar, leeftijd zit vooral in je hoofd’ reageert hij lachend.

We maken met zijn achten en twee gidsen een prachtige tocht over een páramo, daags ervóór liep ik over een andere met twee anderen en gids. Een páramo is een hoogvlakte met een specifieke vegetatie die vooral in Colombia voorkomt. Ruig, behoorlijk kaal maar ook met deels hoge, cactusachtige planten, en met prachtige vergezichten als het weer meezit. Wij hebben behoorlijk geluk.

Gedurende drie dagen assisteer ik Dawood, een Zweed die een kort filmpje maakt over Lago Tota, het grootste meer van Colombia. Het wordt bedreigd door algengroei en het feit dat de omliggende gemeentes geen goedwerkende waterzuiveringsinstallaties hebben. In het meer zelf zijn rond het jaar 1975 Canadese forellen uitgezet en die algen; mensen dachten dat het voer voor de forellen was. Die bleken echter carnivoor en aten de oorspronkelijke vissen van het meer op, vertelt milieudeskundige Javier ons. Momenteel zijn er nauwelijks vrije forellen, ze zwemmen vrijwel allemaal in grote kooien en worden gevoerd met visvoer.

Javier vertelt ook dat daags erop er een bijeenkomst is van mensen die ‘iets hebben met het meer’. Wat ze precies gaan doen weet hij niet. We belanden in een ceremonie met mensen die rotsen kussen en een boom planten op een eiland in Lago Tota met veel ge”oeoeoeoeoeoeh”, gebuig en handje vasthouden terwijl de voorman, een Argentijn, bezweert, declameert en zingt. Dawood en ik voelen op onze manier een band over deze ceremonie, wat is het leven toch bezaaid met wonderlijke invullingen…

Twee keer doe ik op de finca (kleine boerderij) mee met een soort chakra yoga, hatha heet het geloof ik. Daar vliegen de kosmische benamingen me ook om de oren maar ik vind het gewoon heilzaam om concentratie- en fysieke. Oefeningen te doen.

 

Tot mijn ergernis mag vriendin Judith in Nijmegen niet voor me stemmen. Terwijl ze een handgeschreven, ondertekende volmachtbrief van me had, een kopie van mijn paspoort en een ondertekende kopie van het stemformulier dat via Whattsapp op en neer was gegaan. Het formulier had opgestuurd moeten worden…

Toen ik in november vanuit Panama onverwacht naar Nederland vloog, vroeg ik Meke, bij wie nabij Cali ik diverse spullen heb staan, of ze mijn ov-kaart wou opsturen. Ze vroeg na wat mogelijk was. Als ik zeker wou zijn dat een brief overkwam en ook nog binnen een week, kostte het versturen… 214.000 COP. Oftewel zo’n 70 euro. Ja, de wereld is met nieuwe media enorm veel communicatiever geworden maar je moet niet meer aankomen met zoiets ouderwets als een brief, stomme verkiezingscommissie.

 

Ik trek na Sogamoso nog naar een mooie waterval en daal daarna af naar Los Llanos, de “great plains” van Colombia. Ze nemen zo’n kwart van het land in beslag maar waren lang “no go area”. Er zijn slechts weinig wegen maar bovenal was dit het dunbevolkte gebied waar veel guerrilla zat. Ik heb er al een beetje van gezien toen ik aan de andere kant naar Caño Cristalles ging, de magische rivier die tussen juni en december een kleurenpalet lijkt. Nu ga ik tien dagen een beetje rondreizen ten oosten en zuiden van Bogotá om vervolgens een paar dagen in de hoofdstad door te brengen. Ik heb geen idee wat ik zal meemaken, er staat zelfs nauwelijks iets over dit gebied in de Lonely Planet. Zoals altijd: wordt vervolgd!

46 Het dorp, Het zuiden van Cartagena

Soms neurie ik hier Het Dorp van Wim Sonneveld. ‘Ik was een kind hoe kon ik weten, dat dit voorgoed voorbij zou gaan…’

In Deurne, oké (Sonnevelds geliefde Friso Wiegersma schreef de tekst met in gedachten dat geboortedorp). En oké, een vliegtuig komt in het lied niet voor, zeker niet een miniuitvoering van Aerolineas de Antioquia dat landt op Acandí. Het vliegveld, een kleine doos, is echter misschien nog wel eenvoudiger dan het “raadhuis met een pomp ervoor” op de ansichtkaart van Sonneveld. En ja hoor, de kar met paard staat hier gewoon op je te wachten om je heel gemoedelijk ratelend over de keien door het relaxte dorpje naar de haven te brengen.

En dan ontwaak ik uit mijn droom. Want ik ben hier niet in Deurne maar in Colombia. En in Colombia gaat vervoer zelden rustig. Dus klotsen we weer eens over de baren, deze keer weer over de Caraïbische zee die normaliter rustiger is dan de Stille Oceaan. Ik doe tegenwoordig alle moeite om achterin te zitten en mag daarnaast als eerste uitstappen op Playa de Aguacate. De Italianen op de voorste bank kijken me jaloers aan. Ik heb zelfs een “droge landing”, een aanlegplek waarbij je voeten droog blijven. Terwijl dit een afgelegen strand is, op een uur wandelen en klauteren van Capurganá. Een plaatsje waar vóór het toerisme nauwelijks iets gebeurde. Nou ja… Waarom zal daar, op hooguit 15 kilometer van Acandí, grenzend aan Panama, nóg een vliegveld liggen? Met een stel Colombiaanse toeristen gis ik zachtjes naar de aard van drugssmokkel. De ware aard zullen en willen we niet weten. Soms, ook ’s nachts, hoor je een vliegtuigje. Doorgaans wordt de baan die midden in het dorp ligt, gebruikt door fietsende kinderen of joggers.

 

Dit is om een andere reden een heel vreemd stukje Amerika. Namelijk vrijwel het smalste gedeelte tussen de Stille en Atlantische Oceaan (de Caraïbische Zee is een verlengde daarvan) en het verbindingsstuk tussen Zuid- en Midden-Amerika. En toch stoppen hier alle wegen dus ook de Panamericana die feitelijk van noord naar zuid loopt door het gehele vasteland, gelijk of parallel aan de bergketen Rocky Mountains – Andes. Je kunt van Colombia naar Panama dus enkel vliegen of een boot nemen.

Als reden geven veel mensen op dat deze streek die de Darién heet, werkelijk een ondoordringbaar oerwoud is. Kan. Toch lijkt het mij vreemd dat mensen op andere plekken zich wél een weg wisten te banen door jungle. Ik vermoed dat het landen ook uitkomt dat hier een natuurlijke “muur van Trump” ligt of het nu met mensenstromen, drugssmokkel of economisch belang te maken heeft, voor de scheepsvaart bijvoorbeeld. Zeker als daarbij de optie Panamakanaal om de hoek komt kijken. Voor de grootste schepen schijnt een enkeltje iets van 300.000 dollar te kosten…

 

Afijn, ik stap dus uit op Playa de Aguacate en wandel via een heuveltje naar de Bahia Lodge die de Duitser Lothar ongeveer tien jaar geleden is begonnen. Ik neem één van de hutten en geniet van de eenzame zon, zee en strand.

Tot mijn afscheid drie dagen later, komt er weinig van kletsen met Lothar (67). Hij voelt zich al een maand grieperig, is gestrest, baalt dat hij te laat door een bootje wordt opgehaald om in Capurganá de dagelijkse veerpont naar de stad Turbo te halen om een dokter te kunnen raadplegen. Hij woont nu 20 jaar in Zuid-Amerika, de afgelopen jaren met Colombiaanse vrouw en tweejarige dochter. Hij vertelt een gruwelverhaal hoe ze een maand na haar geboorte in Turbo, de baai – Golf van Urabá – wilden oversteken terug naar huis. ‘Het ging mis, direct na het wegvaren. Toen de boot véél te zwaar helde, schreeuwde ik tegen Yvette dat ze mij de kleine moest overhandigen. Op dat moment kiepten we, de baby vloog door de lucht de zee in. Ik belandde onder de boot maar wist me toch af te zetten en naar de oppervlakte te zwemmen. Hoe snel je dan een afweging maakt. Yvette kan niet zwemmen maar ik bedacht dat zij zich hopelijk drijvende zou kunnen horen, terwijl onze pasgeborene… Ik zag haar dobberen op het water, in haar dekentjes. Gelukkig kon ik haar grijpen vóór ze zou zinken en ik kon haar vervolgens meegeven aan een man die me verzekerde dat hij haar veilig aan land zou brengen. Het gaf me de ruimte Yvette te vinden, wat me al snel lukte. Ze was compleet in shock, gilde dat ze de baby moest vinden en verdween al zoekende onder de boot. Ik trok haar omhoog, moest schreeuwen dat de baby in veiligheid was, het duurde lang voor dit tot haar doordrong. We hebben het met z’n allen overleefd, het allerbelangrijkste binnen alle ellende van natte kleren en bagage achteraf. We hebben zó veel geluk gehad!’

 

Met Lothar bespreek ik ook het leven in dit afgelegen stukje Colombia en ik bedenk waarom het daarom níet aansluit bij Het Dorp. Daar leefden de mensen eenvoudig maar werkten ze noest. Terwijl hier…

Zoals Lothar zegt: ‘In Europa worden we opgevoed als raspaardjes. Zelfs als we beweren niets te doen, gaan we toch al snel aan de slag. Pakken een boek, maken de tuin op orde, wat dan ook. We hebben al snel hart voor de zaak en zíen dingen die gedaan moeten worden om een situatie te verbeteren. Hier doen met name de zwarte bevolking en de indianen het liefst helemaal niets. Ze werken omdat ze graag ook onze luxeartikelen willen. De extra aandacht die wij westerlingen automatisch aan ons werk en onze omgeving schenken, is hen onbekend.’

Lothar overweegt om over een paar jaar terug naar Duitsland te gaan. ‘Opdat mijn dochter dergelijke waarden wél leert. Yvette is er één keer geweest en was verrukt van de organisatie en de netheid waarmee mensen elkaar benaderen. Dat een automobilist stopt om een voetganger over te laten steken…’

 

De geschiedenis van indianen en zwarten in Latijns-Amerika is ronduit klote. Ik lees al een tijd “De open aderen van Latijns-Amerika” van de Uruguayaan Eduaro Galeano, misschien wel het bekendste politieke werk hier. Hij beschrijft hoe kolonialisme het Amerikaanse continent uitbuitte en hoe dat nog altijd doorgaat. Galeano stelt dat er naar schatting 70 miljoen indianen leefden op het gehele continent (Noord- Midden- en Zuid-Amerika) vóór Columbus overstak. Een gevleugelde uitspraak hier is dan ook: “We werden niet ontdekt in 1492, we waren er al…” Een eeuw later waren er van de zeventig nog slechts drie miljoen indianen over…

Ze werden verplicht om te werken in de mijnen of op plantages, om land af te staan, om belasting te betalen. Al te willig waren de indianen niet. Dus kwamen de scheepsladingen vol Afrikanen – naar schatting tien miljoen die de overtocht haalden – die als slaaf al helemáál geen keuze hadden. Zwart of indiaan, ze werden gezien als vee. Een en ander werd goedgesproken met bijvoorbeeld betogen waarin werd gesteld dat ze geen ziel hadden, dus niet menselijk waren.

Wat ik al eerder schreef: nog altijd zie je ook hier dat deze bevolkingsgroepen tot de armsten behoren. De geschiedenis geeft reden genoeg om dat economisch te verklaren. De bevolking werd geronseld om te werken in mijnen en op plantages met monocultuur. Kleinschalige landbouw verpieterde, kennis eveneens, lokale verwerking van grondstoffen tot rendabelere eindproducten tegengewerkt. Zoals Castro of Ché Guevara aangaf (ben het even kwijt): ‘Cuba exporteerde suiker en importeerde toffees’.

Bijvoorbeeld in Cuba maar ook in Noordoost Brazilië maakte een afwisselende vegetatie op vruchtbare grond plaats voor die monocultuur. De bodem raakte uitgeput, bestaansmiddelen moesten duur worden aangeleverd, de landen waren afhankelijk van de wereldprijs van slechts één of enkele producten. De baten van de mijnen en monocultuur stroomden vooral naar de Westerse wereld; in de koloniën zelf was macht, rijkdom en kennis in handen van de happy few.

Het grote punt is: de situatie is niet zoveel veranderd. Nog altijd werkt deze elite samen met onze multinationals die scherpe prijzen bedingen en nog altijd rust de productie op goedkope arbeid. Als die arbeiders proberen om hun omstandigheden te verbeteren, worden ze tegengewerkt door binnen- én buitenland. Zodra ze trachten elders het beter te krijgen, worden zij de egoïsten – economische gelukzoekers – genoemd. En zodra ze de macht grijpen (bijvoorbeeld Cuba, Allende in Chili, Venezuela) wordt er onder leiding van de VS al snel economisch (boycot) of militair ingegrepen. Zoals vroeger bij de geketende slaven, willen velen tegenwoordig niet zien waar de daadwérkelijke oorzaak van “onze” vluchtelingenproblematiek ligt…

 

Hier in Capurganá is de bevolking overwegend zwart. Maar, niets is zwart-wit en nu kom ik toch weer bij de sfeer van Het Dorp, velen zijn toch ook tevreden. Met hun familie, hun huis, hun soaps op de tv, hun gebakken vis en banaan, een potje pool, op z’n tijd wat dansen en een fles drank. Ik heb het even niet over degenen die daarbij ontsporen. En sommigen, zoals Josephine, stellen toch wat meer doelen. Josephine runt haar eigen strandtentje met vis en schaaldieren en doet alle moeite om, als ze niet de Colombiaanse variant van Radler heeft, mij die tóch te serveren door bier met limoen te mengen. Maar zij is ook eigen baas!

En bijna altijd geldt: als jij de bevolking hier aardig begroet, krijg je veel hartelijkheid terug. Een gesprek over het leven; advies over wat je wel en niet moet doen; de weg wijzen… Het komt uit het hart en mensen verwachten er geen geld voor terug, wat je in veel toeristische plekken op aarde wél ziet. In Colombia zijn de mensen overwegend aardig naar toeristen toe, willen vooral graag horen dat je hun land mooi vindt én waarom ik in godsnaam alléén rondreis. Want dat staat wel heel erg ver van hun bed!

 

Tuurijk, alleen rondreizen heeft z’n voors en tegens maar ik heb het vaker geschreven, als je wilt krijg je hier heel snel contact. Voorbeeld: ik loop te glibberen op een steil junglepad en er komen drie Colombianen aan. We helpen elkaar letterlijk een handje en als één een paar bamboe stokken afsnijdt, krijg ik er ook een. Als we elkaar later op het strand weer zien, dan wordt er al snel een stoel bijgeschoven. Adressen worden uitgewisseld en ik ben welkom bij hen thuis in Medellín. ’s Avonds zitten niet alleen wij op een terrasje samen aan tafel maar ook anderen die we onderweg weer tegengekomen zijn.

Maar ook met andere backpackers loopt contact vaak makkelijk. Bij Lothar en ook later als zowel zij als ik een kamer hebben in Capurganá, onderneem ik het nodige met de veertigers Mirella en Jeroen uit Oss. Een stel dat hartstikke gek is op elkaar en aan het eind van steeds langere vakanties alweer bedenkt wanneer en waarheen de volgende reis gaat. Op het glibberpad ontmoet ik de Duitse jongen Ferdinand die vertelt over hoe meditatie zijn leven veranderde en hoe hij tracht hier rond te komen met drie euro (!) per dag. Van zijn landgenoten Peter en Karin krijg ik een boek dat zich afspeelt in deze omgeving. Ik wil zo’n vijftal van dergelijke boeken lezen en aanbieden in een speciale literaire reis naar Colombia. Plannen genoeg maar voorlopig blijft die vraag openstaan: zal het er werkelijk van komen?

 

Ik heb wel weer iemand op het oog met wie ik dat graag zou willen doen: Meke, de Française die ik ken via Anik en bij wie ik begin januari logeerde, bij wie ook een deel van mijn spullen staat. Zoals geschreven: ze is na 25 jaar gestopt met het werken in Anik’s crèche, wil vrijheid maar moet ook iets vinden als extra inkomstenbron. Allerlei redenen bij elkaar maakt dat ik me heel goed kan voorstellen dat wij dat samen zouden kunnen oppakken. Ze zegt geen nee maar is voorlopig een kat-uit-de-boom kijker. Eind april logeer ik weer bij haar en zien we verder. Tot dan blijf ik rondreizen, routes samenstellen en mensen ontmoeten.

Zoals Paul, de broer van vriend Huup, en zijn man Leo die voor het eerst in Colombia zijn; ik heb hen de nodige tips gegeven. Zij komen aan in Capurganá – Leo wit weggetrokken vanwege hun boottochtje – en ook met hen heb ik een fijne dag. De dag erop is het mijn beurt om de zee weer op te gaan en wel naar de overkant van de baai, naar Necocli. Het kan ook meezitten, het is een uiterst rustige dag. Ik geniet op de achterbank van de tocht en kom ontspannen aan.

 

Januari tot en met maart staan hier bekend om de ruige zee omdat het dan veel waait. Dat heeft ook een groot voordeel: die bries is heerlijk verkoelend en er zijn minder muggen. Dag na dag geniet ik van het perfecte weer dat je in Nederland slechts zelden meemaakt. Warm genoeg om in principe niets te hoeven dragen en de zwoele maar verkoelende wind die alles draaglijk maakt. Geweldig!

 

Veel geweldiger dan ik me had voorgesteld, is het modderbad in Arboletes, mijn eerste stop na Capurganá. Nauwelijks bekend onder toeristen, ongekend! Onzeker laat ik me zakken in de modder van een kratermeer met een doorsnede van zo’n 200 meter. Ik voel geen bodem en zal dat ook niet doen want de poel is peilloos. Maakt allemaal niet uit want méér nog dan in de Dode Zee, blijf je per definitie drijven in de crèmezachte prut. In tegenstelling tot het zoute water van de Dode Zee maakt het hier zelfs niet uit als je wat modder in je ogen krijgt. Je komt echter nauwelijks vooruit. We drijven als vliegen in een pot stroop, zogezegd. Om me heen blubben bellen en ik lig heerlijk in dit beste bed dat ik ooit gevoeld heb. Met een temperatuur van gemiddeld 28 graden en zo zacht alsof je werkelijk in de wolken zweeft. De vulkaan – waarvoor nog geen euro wordt gevraagd om te douchen, voor de rest is de entree gratis – krijgt dan ook absoluut een plekje bij Colombia Diferente! Óf die nabij Cartagena die nog altijd een kratervorm heeft, moet nog leuker zijn…

 

Eerst de eilanden van San Bernardo verkennen. Mwah. Hier spreekt weer de toerist die een hekel heeft aan mensen die haar enkel zien als de wandelende portemonnee en verder door haar heenkijken. Terwijl er toch ook weer niet zóveel toerisme is. Op het grootste eiland Tintipán spreek ik met de eigenaren van twee afgelegen hotels. Mooi voor Colombia Diferente, te duur voor mij. Ik kies de afgelopen tijd toch al voor wat meer luxe, dat wil zeggen voor méér van tien euro per nacht.

Ik slaap nu voor twintig op het grootste strand dat tot drie uur flink wordt bezocht maar uiteindelijk blijf ik als Robinson Crusoë alleen over met twee bewakers. ’s Avonds steekt er een flinke wind op, ’s ochtends is die gaan liggen en wacht ik in mijn hokje op de warmte van de zon, die zal de minimuggen – zandvlooien? – verjagen.

Hier komen overwegend Colombiaanse dagjesmensen. Zoals gewoonlijk zijn ze vooral bezig om zichzelf op de foto te zetten. Tot mijn grote ergernis interesseert het ze geen flikker dat ze daarbij koraal doodtrappen. Na aankomst ging ik met enkelen in een boot naar de plek waar de mooiste koraal zou moeten zijn. En slechts op één meter diepte. De anderen hebben niet eens een snorkel bij zich, enkel een duikbril, zodat de neiging om te lopen veel groter wordt. Het halve uur dat we er zijn zie ik ze rondlopend over het daar 100% dode koraal. Ze kijken nauwelijks onder de waterspiegel; selfies, daar gaat het om. Als ik de verhuurder vraag waarom hij enkel brillen levert, haalt hij zijn schouders op. ‘Dat koraal is al veel langer dood vanwege het veelvuldige vissen met dynamiet…’ “Stelletje leeghoofden”, denkt de boze toeriste.

 

Over traditie gesproken: de bevolking van San Bernardo leeft vrijwel allemaal op één klein eiland. Het wordt dan ook het dichtstbevolkte eiland ter wereld genoemd. Gezien de hoogbouw denk ik dat Hongkong er eerder voor in aanmerking komt maar het is een feit: vrijwel geen enkel plekje op Santa Crux del Islote is niet bedekt door een huis of straat. Tintipán blijft daardoor wel behoorlijk maagdelijk in al haar tropische schoonheid!

Om die van mij te bevorderen koop ik een fles zelfgeperste kokosolie. Het doet me in alles vermoeden dat het afgedankt frituurvet is maar enkele weken blijf me er driftig mee insmeren. Tot het in de bergen ook nog stolt en ik het vervang voor een fles heerlijk ruikende amandelolie…

 

Ik verblijf nog een dag op een ander eiland, Múcura, waar ik vooral dat “wandelende portemonneegevoel” heb. Een echtpaar uit Medellín dat hoort dat ik een reisbureau wil oprichten tracht me over te halen tot samenwerking. ‘Wij leveren kleding voor dames die heren een pleziertje bezorgen. We krijgen ladingen Amerikanen binnen, het verdient enorm. Als jij nu kunt zorgen voor Europese mannen…’

 

Toerisme. Het koloniale centrum van Cartagena is mooi en vol buitenlanders als altijd, het gebied eromheen arm en luidruchtig. Ik verlaat de stad en bezoek Palenque, een historisch dorpje.

Een palenque is een afgescheiden zwarte gemeenschap. En déze Palenque is volgens de trotse bewoners de allereerste zwarte plaats in heel Amerika die onafhankelijk werd van slavernij. Wikipedia beaamt dit en noemt 1713. ‘Nee’ verkondigt Wilman, mijn gids van de dag stellig, ‘het was een eeuw eerder.’ Hoe dan ook, deze trip bevalt mij véél meer dan die naar de moddervulkaan de volgende dag. Deze El Totumo is moeilijk op eigen gelegenheid te bereiken dus ik boek een excursie. We komen tegelijkertijd aan met pakweg zestig anderen. En iedereen wil dat poeltje in van 3 bij 3 meter… Om elkaar zoveel mogelijk op de foto te zetten natuurlijk. Het enige voordeel is dat hier de mannelijke masseurs je al opwachten en iets verderop de vrouwelijke verwijderaars van de modder. Nee, níet Totumo, wél Arboletes!

 

Ik heb inmiddels ook een reis vanaf Cartagena in kaart gebracht, evenals een vanaf Cali, Medellin en Santa Marta. Voor de komende maanden staan er nog twee op het program: Bogotá en vooral de bergen ten noordoosten van de hoofdstad, en Leticia, qua ligging het Maastricht van Colombia – evenals Nederland heeft het land een zuidoostelijk aanhangsel – en hoofdstad van het Colombiaanse deel van het Amazone regenwoud.

 

Ik bezoek eerst even twee dagen Medellín. Samen met voetbalfanaten Cristina en Alejandro die ik op de glibberhelling in Capurganá ontmoette, bekijk ik een voetbalwedstrijd van Atlético Nacional – Alejandro’s club – tegen Rio Negro. De uitclub komt van nabij, waar het internationale vliegveld van Medellín ligt. De club bestaat nog niet lang en heeft nauwelijks supporters zodat wij in een groen-wit stadion belanden. De thuisclub wint met 3-0. Het valt me vooral op dat de supporters blijven feesten. Nauwelijks ohhh en ahhh als reactie op het spel maar één constante salsa/sambasfeer. ’Zélfs als de club achter staat’ beweert Cristina.

Ze is enkel meegegaan omdat ik er ben. Zij is fan van de tweede club in de stad die simpelweg Medellín heet. Met Alejandro vertelt ze na afloop hoe beide teams samen kwamen om te rouwen over het Braziliaanse team van Chapecoense dat de finale van de Copa Americana zou spelen tegen Atletico Nacional afgelopen herfst. Nét voor de geplande landing stortte het vliegtuig waarin ze zaten neer, er was te weinig brandstof getankt… Vrijwel iedereen kwam om. Zes van de 81 inzittenden overleefden zoals de keeper die sindsdien wel een been moet missen. Alejandro: ‘Atlético moet enkel nog die Champions League van Amerika winnen, zoals jullie maar steeds geen wereldkampioen worden. De cup ging binnen deze omstandigheden vanzelfsprekend naar Chapecoense, .’

 

Ik bezoek middels een graffititour ook wijk 13. Deze sloppenwijk was tijdens de drugsoorlog zeer berucht omdat het in de vuurlinie lag van FARC en leger. Dat is verleden tijd, volgens gids Bicho. ‘Tegenwoordig is alles verplaatst naar het centrum.’

Ik geloof zeker dat zich daar veel afspeelt. Ik heb deze keer een kamer in dat centrum maar op straat struikel ik daar bij wijze van spreken over de ellende. Of het ook het beleid van Medellín is dat zich dat dáár concentreert?

Wijk 13 is in ieder geval een inspiratiebron. Alle huizen zijn nu aangesloten op water en elektriciteit en de wijk wordt opvallend schoon gehouden. Overal zijn prullenbakken, overal behulpzame buurtwachten. Er is bovendien veel kleur en muurschilderingen zijn voor een belangrijk deel aangebracht door de eigen bevolking. Ik geloof zeker dat de trots die dit met zich meebrengt, bijdraagt aan een andere levenshouding. In deze wijk zijn ook roltrappen geïnstalleerd die 600 oude traptreden vervangen. Bicho is daarover minder te spreken. ‘Vooral toeristen maken er gebruik van. ’s Avonds na tien tot ’s ochtends vijf worden de trappen gesloten. Juist dan komen mensen van hun werk of gaan er naartoe.’

Lijkt me overdreven maar we zijn het wel eens dat het beter was geweest dat de roltrappen waren afgesteld op beweging. Nu draaien ze overdag de hele tijd en ’s nachts niet.

 

Ik heb absoluut bewondering voor Eddy. De Nederlander woont ruim tien jaar in Medellín en werkt als planner voor individuele reizen, waardoor ik gevraagd heb of we elkaar kunnen ontmoeten. Eddy is echter vooral gepassioneerd van het werk met straatkinderen, dat hij eigenhandig heeft opgezet. Een ingang is voetbal maar Eddy heeft het voor elkaar gekregen dat honderden kinderen in een tehuis zijn gaan wonen en naar school gaan. ‘En daarmee verminder ik toch de aantrekkingskracht van dé grote trekpleister: de drugshandel’ stelt Eddy. Het zal niet altijd lukken maar ieder gewonnen leven is er één.‘

Chapeau, Als het met de reisorganisatie maar enigszins lukt, hoop ik Eddy bij te staan.

45 On the road again… Medellin en omstreken

 

 

Dutch Edith. For putting an itinerary together that allowed me to reach ‘off limit’ parts of Colombia and for the best hostel recommendations ever. Muchas gracias amiga.

Dankberichtje op Facebook van de Britse Charlotte

 

Tja. Met een stalen gezicht verkondigde ik op het internationale vliegveld van Panama geen biologische producten bij me te hebben en enthousiast kreeg ik aldus met 35 graden temperatuurverschil de noni-bladeren in Arnhem. Ik zette er ’s ochtends thee van en legde ze ’s avonds op de onderrug van Gerrit. Het mocht niet baten, niks mocht baten. Het was de bedoeling dat ik hem tot 1 januari zou steunen en dan terug zou vliegen naar Colombia. Terwijl ik stiekem hoopte dat Gerrit nog zou leven als ik in juni terug zou komen, sloeg de kanker zo toe dat hij 17 dagen na mijn komst al stierf, hij werd 50. Kutkanker.

Het goede nieuws is dat ik Gerrit, 25 jaar een goede vriend en lang mijn grootste opdrachtgever, op een hele fijne manier kon bijstaan gedurende de laatste periode van zijn leven, vooral door er op een rustige manier te zijn. Ik was zelfs bij zijn overlijden, de eerste keer dat ik een mens zag sterven. Het gebeurde in alle waardigheid en actief, euthanasie dus. Heel warm en zonder te lijden, hij was er zelfs klaar voor. Ik zie nóg zijn rust toen de huisarts aan haar spuitenrij begon maar ook Gerrits felle ogen: nú ging hij sterven. Even daarvoor stapte hij nog even van zijn bed af om mij te wijzen op welk muziekfragment hij definitief wilde inslapen en ging toen weer rustig liggen in de armen van zijn zus Marianne.

We hebben in een klein team zijn hele uitvaart geregeld, met Gerrit als regisseur. Feitelijk een bizarre situatie, waarbij we regelmatig vragen stelden als: ‘Gerrit, er is om drie uur plek voor de crematie, vind je dat oké?’. Maar binnen de gruwelijke waarheid dat hij zou sterven, was deze wijze juist een voorbeeld voor me, mocht ik ooit… Het heeft een diepe indruk achtergelaten. De resterende noni-bladeren zijn naar twee andere mensen gegaan waaronder vriend Conrad, die er baat bij vond maar er ook uitslag van kreeg. En met Marianne heb ik een innige band gekregen. Ja, het was moeilijk maar zeer dierbaar om naar Arnhem te gaan. Het zijn de momenten die er toe doen.

Eind augustus overleed een andere vriend Arjen. Ook jonger dan ik en eveneens na een kort ziekbed. Hem heb ik in de zomer nog slechts eventjes kunnen zien. In dat opzicht is ver reizen echt ver. Toen bij Arjen in april een grote hersentumor werd gevonden en hij enkele dagen daarna een grote operatie kreeg, zou ik in Nederland meteen na hem heen zijn gespurt. Nu was ik nét terug in Colombia, kon ik slechts meeleven en afwachten en ook in Nederland weinig anders meer doen dan dat ene bezoekje. Hij was simpelweg te ziek. Gerrit was dat óók maar daar bracht de situatie met zich voort dat juist ik de constante werd die hem zo goed mogelijk steunde bij emotionele afscheidsbezoekjes.

 

Deze keer voelt de terugkeer naar Colombia als mijn eigen rustpunt, de plek om na alle emotie weer bij te komen. En dat doe ik, nu in het huis van Meke. Zij is Française en rondt na zo’n 25 jaar haar werk voor Aniks crèche af. Ze zijn beiden zestig maar heel verschillend, niettemin aan elkaar verknocht als zussen. Meke wil reizen. Ze woont ten zuiden van Cali in de bergen, in een luxe dorp waar je enkel binnenkomt na uitnodiging. Haar huis is een eigen ontwerp: een grote achthoekige ruimte met open keuken en open haard met boven in een vide haar slaap- en werkgedeelte. Beneden zijn twee extra slaapkamers met eigen badkamer. Rondom ligt een uitgebreide tuin met een extra huisje dat ze eigenlijk wil verhuren. Maar omdat dat nog niet klaar is, slaap ik in het huis. Evenals vier katten. We kunnen het met z’n allen goed met elkaar vinden. Het huis ligt wel geïsoleerd. Watervallen om de hoek maar weinig openbaar vervoer. Gedurende een week kom ik er slechts één keer om te dansen – Cali is dé salsastad van Colombia – met Meke, Anik en José, het is weer flink aan tussen die twee.

 

Na een week lanterfanten ga ik weer op stap. De eerste halte zijn de natuurlijke bronnen van Santa Rosa, dichtbij Pereira, tussen Cali en Medellin. Het stikt van de mensen, luidruchtig kletsend met drank in de hand, in de betonnen buitenbassins, met luide muziek. Ik denk met heimwee aan een Nederlandse sauna. Het regent ook nog eens en ik heb geen zin in kletsen, mijd aanspraak. Ik ben al snel terug in het hotel, Santa Rosa is in principe afgekeurd voor Colombia Diferente. En ik heb weinig zin om het andere thermale bad van San Vicente te bezoeken.

 

Een grappig maar veelzeggend moment was toen ik verkondigde mijn huis te verkopen en te gaan reizen, inmiddels alweer ruim drie jaar geleden. Vriend Jos en ik zeiden tegelijkertijd dezelfde woorden met een geheel andere intonatie: angst tegenover uitdaging: ‘Je/ik weet helemaal niet wat je/me gaat overkomen!’ En voor mij is dat nog steeds een hele prettige gedachte. Wat brengt de dag nu weer???

Ik lees wat in de Lonely Planet en besluit om naar La Pastora te gaan, een herberg in de bergen. Eérst moet ik terug naar de bewoonde wereld. Ik mag voor een kleine euro mee met een Willy, een authentieke jeep waarmee de Amerikanen in de Tweede Wereldoorlog rondreden, is me gezegd. De chauffeur lijkt er zó uit voort te komen en zijn jeep is in ieder geval ook heel oud. Gezellig keuvelend rijden we door de bergen. Daarna neem ik de bus naar Pereira, centrum van de bekendste koffiestreek. Meteen helpen mensen me op weg naar de volgende bus naar Florida, eindpunt van de verharde weg. Ik kan verder achterop de motor van Manuel en rond half een loop ik met mijn rugzak over een stenig pad de bergen in. Totaal andere wereld, binnen twee uur bereikt. Het wandelen bergopwaarts met m’n twintig kilo bagage is niet eenvoudig. Het giet ook nog eens behoorlijk en soms ontkom je er niet aan om door een rivier te waden. Goed voor de lijn, bedenk ik monter. In Nederland ging het weer flink de verkeerde kant op. Om half vier bereik ik La Pastora. Geen elektriciteit en ijskoud water maar ik heb een gezellige avond rondom het vuur met vier Colombiaanse studenten. Daags erop trek ik verder met enkel mijn babyrugzak en klim daarbij ruim duizend meter hoogteverschil. Weer rond half vier beland ik bij het huis van ‘machete Pedro’, een boer die paarden verhuurd en met wie ik onderweg heb afgesproken dat ik er kan slapen.

Je vraagt je al snel af hoe mensen er overleven: wederom geen elektriciteit en ijskoud water en kranten, plastic en oude lappen tegen de muren die niettemin vol gaten zitten. Ik denk aan vroeger, aan de ijsbloemen op het raam van mijn slaapkamertje, de zichtbare adem. Zó koud is het hier niet maar de belevingstemperatuur… En we zitten op 3500 meter hoogte. Me wacht ook nog eens slechts een ingevallen bed met kale paardendekens. Dit is wel het authentieke Colombiaanse landleven en rondom het houtgestookte ‘fornuis’ verwarmen we ons met aguardiënte. Met mij zijn drie andere reizigers gearriveerd, alle Colombianen uit de stedelijke omgeving. Ik slaap met twee paar sokken, twee broeken, twee T-shirts, een trui en een jas onder drie dekens. Het valt mee met de kou.

De volgende dag klets ik met Andrés, een advocaat, over rechtssystemen en trek vervolgens met gids Julio Cezár te paard naar het 4000 meter hooggelegen laguna Otun door een machtig mooie natuur. We moeten regelmatig lopen omdat de bodem te drassig is voor paard en ruiter. Mijn ‘knol’, ik krijg een pest aan mijn eigenzinnige muilezel, houdt geen rekening met mij als ruiter en valt nauwelijks te sturen. Het gaat mis. Ik krijg een tak diep in mijn rechteroor en hoor vanaf dat moment als door een flinke dot watten, vergelijkbaar tijdens een landing in een vliegtuig. Maar als ik in mijn dichte neus blaas, kraakt en piept het oor vreselijk en blijft het mistige gevoel. Het voelt niet goed maar ik kan nu weinig doen.

Eenmaal terug in het huis van Pedro ben ik alleen met Diego, één van de bezoekers. Pedro is met zijn gezin onverwachts naar een begrafenis en Diego past op. Hij weet van alles over films, heerlijk. Hij houdt zelfs een cinematheek en een bibliotheek. Hij, Andrés de advocaat, de vier studenten in La Pastora… Het zijn gemotiveerde jongeren, voorbeelden om Colombia een andere wending te geven. Maar het gebrek aan scholing is nog zó groot, verzucht Diego.

Die volgende ochtend kan ik de smerige kleding niet vinden die ik te drogen had gehangen. Die krijg ik tot mijn stomme verbazing overhandigd nadat ik ben afgedaald naar La Pastora. Andrés had de stinkende zooi ongevraagd maar goedbedoeld meegenomen…

Op dag vijf loop ik in een wolkbreuk waarin niets er meer toe doet. Andere wandelaars. fietsers en ik… We maken er een Singing in the Rain van.

 

Het alleen lopen beviel me heel goed. Mijn eigen tempo en mensen die je tegenkomt zijn stuk voor stuk aardig. De hele tocht kostte me inclusief overnachtingen, maaltijden en paard nog geen 150 euro en ik ben weer een prachtige ervaring rijker. Patsboem, door een andere weg in te slaan.

 

Maar goed, het oor blijft in de wolken hangen. Dus ga ik terug in Pereira langs een drogist. Vaak verlenen ze daar eerste hulp en ik mag meteen achter de toonbank, een oudere verpleegster kijkt in mijn oor. ‘Niet goed’ vertelt ze, ‘volgens mij zie ik nog hout.’ Ze geeft me het adres van een ervaren particuliere arts maar die zal pas over vijf uur aanwezig zijn.

Dus wandel ik naar een ziekenhuis waar ook al snel in mijn oor wordt gekeken. ‘Er zit géén hout in je oor maar het is ontstoken’ concludeert de arts (?). Ze geeft me een recept voor wat druppels.

‘Sorry mevrouw, ik ben geen dokter maar het lijkt me vreemd dat het een oorontsteking is’ verweer ik tot haar ergernis en zet door: ‘Een ontsteking krijg je niet direct en doet pijn terwijl ik vanaf het begin dezelfde klachten heb zónder noemenswaardige pijn.’

Ze herhaalt haar conclusie en duwt me weg.

Ik wacht nu toch de komst van de particuliere arts af. De beste man schudt zijn hoofd over de diagnose van de ziekenhuisarts. ‘Géén ontsteking, wél hout.’ En erger, het trommelvlies is behoorlijk gescheurd. Als het hout was blijven zitten, had ik die ontsteking hoogstwaarschijnlijk inderdaad gekregen!

In ieder geval moet ik trachten om maandenlang geen druk te krijgen in mijn oor en het schoon te houden. Geen water – ik koop direct silicone oordopjes – niet duiken, niet fluiten, zelfs niet in de neus blazen. Terwijl ik die neiging voortdurend heb, mijn oor zit immers in de mist. Stomme knol!

 

Als troost trakteer ik mezelf toch op de baden van San Vicente en dan helemaal, inclusief hotel en vijf behandelingen. Ze smeren me in met warm zand, modder, honing, graan en fruit en ik krijg een fantastische massage van twee dames tegelijk. Deze baden bevinden zich midden in de natuur. Nee, maken deel uit van de natuur, het hete water en de stoom komen daadwerkelijk uit de bodem. Ooit in een warme rivier gelegen? De sfeer is ook veel rustiger dan de thermen van Santa Rosa; San Vicente is wél een oord voor Colombia Diferente!

 

Luis, de receptionist van San Vicente, verdient maandelijks een miljoen. Daarvoor werkt hij minstens 60 uur per week en heeft hij het voordeel geliefd te zijn. Omdat hij van zijn tiende tot zijn dertigste in New York woonde, spreekt hij vloeiend Engels en naar zulke mensen is iedereen in het toerisme hier op zoek.

Een miljoen is omgerekend 350 euro. Het gros van de Colombianen verdient met vele uren werk een vergelijkbaar bedrag of minder. ‘Natuurlijk is de levensstandaard hier lager maar zonder het salaris van mijn vrouw zou ik het toch heel moeilijk hebben’ vertelt Luis. ‘Maar ik miste Colombia en met steun van mijn familie ging ik hier drie jaar geleden weer wonen. Ik ontmoette mijn vrouw, we hebben al ons eerste kind maar denken er wel over om naar de VS te gaan als de kinderen gaan studeren. Een góede studie kost hier zo ontzetten veel. Er is hier zo weinig toekomst…’

Ik wijs hem erop dat in tegenstelling tot een generatie geleden, analfabetisme nauwelijks meer voorkomt. ‘Het klopt’ reageert Luis, ‘maar alles gaat toch zo enorm traag. Er ontbreekt nog zo veel aan goede educatie.

We vinden elkaar in onze afkeer van het Colombiaanse weggedrag en het feit dat er zoveel afval ligt. ‘Met voorbeelden als jij zal ook dat verbeteren Luis!’

De sfeer is nu oké. In eerste instantie was Luis boos. Hij rijdt me voor 40.000 peso naar beneden terwijl iemand anders me voor 50.000 wou wegbrengen. ‘Maar hij zou speciaal voor mij rijden terwijl jij op weg bent naar huis. Dan vind ik 40.000 afzetterij Luis!’

Luis voelt zich verbolgen over het feit dat ik hem beticht van afzetterij. ‘Wat wil je me geven dan?’

’20.000?’

‘Maar ook ik was helemaal niet van plan om nu al naar beneden te gaan. Ik mis mijn gratis lunch en had ook nog willen badderen. Dat gaat niet omdat ik jou wegbreng.’

En zo heeft een Colombiaan meestal het laatste woord en geef ik hem 30.000, het moet voor iedereen leuk blijven. Luis belandt op mijn lijstje van potentiële gidsen.

 

In Rio Claro neem ik alweer een dure kamer. Evenals ooit in Brazilië, heeft deze slechts drie muren en een open ruimte met uitzicht op een kloof: veel groen en de rivier onder me. Ik slaap heerlijk fris onder het geluid van krekels, vogels en het water.

Deze plek is prachtig voor mijn reisaanbod en een tocht naar en door een grot hoort daarbij. Het is weekend, dus vol Colombianen, en we zijn ruim een uur langer onderweg omdat diverse Colombiaanse vrouwen in de grot niet in sommige poelen durven te springen. Vanaf niet meer dan een meter hoogte, vertrouwen op de gids springen met gebogen benen? Bibber, bibber. Ik wil angst niet belachelijk maken maar trek het door. Van kleins af aan leren meisjes hier angstig zijn. Ze worden bij de hand genomen door jongens en ik zie het ook nu: bij de kleinste afstapjes biedt een vent zijn even jonge vrouw galant zijn arm. ‘Heel aardig maar nee’ is mijn standaard reactie. Anders zou ik me al snel tien jaar ouder voelen…

 

Ik raak in gesprek met Carlos, een 65-jarige econoom die net met pensioen is. Veel door Azië heeft gereisd, de kracht van Europeaanse vrouwen roemt, zelf een relatie heeft met een Zweedse, ‘hoewel aflopend, ze toont te weinig affectie.’

We spreken ook over mijn plannen en Carlos beaamt dat ze veel potentie hebben maar dat vooral het vinden van een goede partner cruciaal is. ‘Je kunt hier zo weinig mensen vertrouwen…’

En dat vertelde ook Luis me, en is tevens mijn ervaring. Hier, in Afrika… Doordat wij in Europa het zo goed hebben, kunnen we elkaar veel meer vertrouwen, hebben we de ruimte om elkaar wat te gunnen, kunnen we van elkaar op aan. Colombia is nog altijd een overlevingsland, ieder voor zich, korte termijn denken. Carlos is het levende voorbeeld. Terwijl hij hetzelfde beweert als ik, zelfs benadrukt. Terug van de grot, vertrek ik al snel voor een rafttocht. Carlos zegt dat hij op me zal wachten omdat hij heel graag wil praten over de reisorganisatie, omdat hij misschien het nodige kan betekenen. De volgende ochtend wil hij raften. Het klikt heel goed tussen ons en ik hoop dat we inderdaad in contact kunnen blijven. Maar ik wil het eerst wel eens zien en juist daarom test ik dat door mijn raften door te laten gaan. En ja hoor, na afloop géén Carlos, géén berichtje, géén Carlos de volgende dag. Nee, dat ligt niet aan mij. Dit is het dagelijkse leven hier. Zoals de Franse hosteleigenaar Jerome me een paar dagen later vertelt: ‘Mensen doen hier wat ze op dát moment zien zitten. Je hebt geen andere keus dan ermee om leren gaan. En zoeken naar de uitzonderingen.’ Ik hoopte dat ik er met Carlos een had gevonden en baal.

 

Het hostel van Jerome ligt in Guatapé. Een toeristisch plaatsje en weekenduitvalsbasis van gegoede “Paisas”, inwoners van Antioquia met Medellin als hoofdstad. Guatapé staat bekend om een grote monoliet die me erg aan Pao de Azucar – Suikerbrood – in Rio doet denken. Verder is er veel water en vermaken Colombianen zich met alles wat daar omheen hangt. Zoals het zóveelste huis van Pablo Escobar…

 

Vóór Rio Claro liep ik ’s ochtends Hacienda Napoles binnen. Nou ja, nadat ik de voordeligste entreeoptie had betaald, 39.000 COP (Colombiaanse pesos). Ik weet dat ik niet veel hoefde te verwachten van het tot attractiepark omgetoverde landgoed maar vond dat ik de kitsch met beide ogen moest aanzien.

Om te beginnen een geweldig leuk aspect van Colombia. Stel, je bedenkt dat je in je eentje door De Beekse Bergen gaat lopen en trekt er welgemoed op uit over een landweggetje. Hoe groot is de kans dat na één minuut een auto stopt met een gezin waarvan de leden je toeroepen: ‘waarom stap je niet in zodat we gezellig samen de dag hier doorbrengen?’ Zelden verwachten mensen hier dat er iets financieels tegenover moet staan. Ze vinden het gewoon leuk en interessant om met je te praten.

Ik stap in bij moeder Sandra (43), dochter Stéfanie (24) en zoon Sebastian (22). Sandra is advocaat dus het is een gezin aan de bovenkant van de maatschappelijke ladder. Zoals Sandra verzucht: ‘Ze beweren hier wel dat ze het grootste landgoed van Escobar aan het Colombiaanse volk hebben teruggegeven, maar hoeveel landgenoten kunnen deze entreeprijzen betalen?’ Zij hebben zelfs 75.000 COP per persoon betaald en mogen daarom in alle waterattracties. Terwijl zij zich daar vermaken, wandel ik door het museum over Escobar.

 

Pablo Escobar. Begin jaren tachtig was hij nog politicus en daarna verwezenlijkte hij zijn idealen op een andere manier. Hij behoorde uiteindelijk tot de tien rijksten ter wereld. Als zijn kinderen een olifant wilden, kregen ze er een of enkele. Hacienda Napolés wordt in Colombia gezien als de dichtste benadering van de Ark van Noach. Het schijnt dat na Escobars dood in 1992 verschillende nijlpaarden overleefden in Colombiaas natuur en dat het daarbij de enige plek buiten Afrika is waar nijlpaarden in het wild leefden. Inmiddels hebben ze hun eigen poeltjes op het landgoed en beschouw ik sterkere verhalen tot de categorie “poema bespeurd in zomers Nederland”.

Afijn, Escobar wilde Colombia ontregelen en tot zijn terreurdaden behoort het opblazen van een vliegtuig met 109 inzittenden omdat hij één passagier wilde vermoorden. Hij loofde ook beloningen uit voor het ombrengen van politiefunctionarissen. Ik meen te hebben gelezen dat door zijn directe orders ruim 2000 mensen zijn vermoord waaronder rechters en politici.

En toch wordt Escobar nog altijd verheerlijkt. Hij had de absolute macht in twee grote sloppenwijken in Medellin. Ook daar terroriseerde hij de boel, zo werden kinderen gedwongen om bij hem in dienst te komen. Hij was daarnaast degene die huizen liet opknappen, werk bood, geld… Binnen alle uitzichtloosheid van deze leefgemeenschappen was er eindelijk iemand die zorgde voor verbetering. Binnen alle ellende die hij veroorzaakte, wel te verstaan. Maar die directe hulp, die sloeg aan.

Was het ’t vliegtuig dat Escobar liet ontploffen of een ander? In ieder geval vertelde Anik me dat er decennia terug nabij Medellin een vliegtuig neerstortte waarna nog diverse inzittenden leefden. Ze werden beroofd en aan hun lot overgelaten. Drugshandel. Hoeveel mededogen moet een arme Latino hebben met Westerlingen die ‘er voor kiezen cocaïne te gebruiken’? Het verhaal heeft meerdere kanten. En in mijn ogen een uitzichtloze zolang de jacht blijft bestaan op een handel die financieel ongelooflijk lucratief blijft. Maar hoeveel mensen die een gesmeerde boterham verdienen binnen die jacht zitten er op te wachten om hun positie op te geven? Dus gaat het maar door en door en door…

44 De bananenrepublieken Panama, Costa Rica

 

Op 28 oktober vlieg ik van Cali direct naar Panama Cuidad. De stad bevalt me niet. Het toeristische oude centrum is mooi maar ook klein. Eromheen bevinden zich armenwijken naast enorme torenflats en wolkenkrabbers, vooral in gebruik door de financiële wereld. Je ziet hier heel veel patserige auto’s, de Panama Papers zeggen genoeg.

Daarnaast is hier begin juni mijn mobieltje met daarin vijf jaar foto’s gejat dus ik neem vanaf het vliegveld een bus direct naar de busterminal, wantrouwend om me heen loerend. Ik wil naar de Bocas-archipel tegen de grens met Costa Rica en daarvoor blijk je elf uur te moeten bussen. Relatief klein, zijn de landen in Midden-Amerika toch niet zulke doorstroomnaties als België en Nederland.

Er rijden enkel rechtstreekse nachtbussen dus ik breng de middag door in de minstens kilometer lange mall direct naast de terminal. Latijns-Amerikanen houden van die winkelcentra. Ik vergelijk het weer met het Nederland van toen; hoe bijzonder was het om naar koopgoten te gaan! Ik heb er nu weinig mee maar het is er in ieder geval wel koel. In de open busterminal stromen de zweetstralen van mijn gezicht.

 

Wat me hier ook opvalt: mensen met een beetje macht doen niet aardig tegen anderen. Overal staan lange rijen bij lege bussen maar de deur iets eerder opendoen? Ho maar. Om mijn bus te bereiken moet ik door een poortje. Een arrogante griet instrueert me woordeloos met agressieve gebaren. Pas als iemand met zijn pasje het poortje voor me openmaakt, begrijp ik dat ik zoiets had moeten hebben. Maar ik heb een kaartje voor de busreis. Afijn, c’est le ton qui fait de la musique! Zo valt me op de terugreis op dat bij de talrijke bushaltes mensen die daar staan, heel vaak niet aangeven of ze al dan niet meewillen. Met als gevolg dat mijn busje regelmatig voor niets afremt en zelfs terugrijdt.

 

Bocas de Toro is heerlijk rustig. Het hoofdeiland is weliswaar behoorlijk toeristisch maar daarom reis ik meteen door naar Bastimentos. Ik blijf tien dagen op dit eiland in een groot hostel en trakteer mezelf op een eigen kamer met veranda en prachtig uitzicht. Ik hoef niets van mezelf, lig in de lappenmand. Sinds ik een week geleden enorm veel rugpijn kreeg tijdens een woeste zeetocht, voel ik me nog steeds als een zak aardappelen als ik een trap afdaal of me zelfs maar omdraai in bed. Daarnaast valt me plots een bult op mijn rechter middelvinger op. Ik sneed me daar een maand geleden op een plek die maar bleef bloeden, dus verbond ik de hele vinger zo dat ik die niet meer kon buigen en de wond de kans kreeg om te helen. Kennelijk heb ik er een inwendige ontsteking aan overgehouden die er niet meer uit kan komen.

Nadat ze de rug en mijn vinger met olie warm heeft gewreven, bevestigt een masseuse nonibladeren op die plekken. Het voelt warm en ’s ochtends is de onderrug nat van het zweet, de noni heeft zijn werk gedaan. Na drie dagen is de rugpijn weg evenals de bult hoewel de laatste weer terugkomt, kennelijk te snel gestopt met de behandeling. Maar ik geloof inmiddels behoorlijk in de ontstekingsremmende werking van noni, eerder heb ik er ook al baat van gehad bij mijn kuiten. Hier, in Colombia maar ook in Azië en Oceanië las ik, maken veel mensen er gebruik van en hoor je enthousiaste verhalen. Van mijn reizen in Latijns-Amerika begin jaren tachtig herinner ik me dat Latino’s vooral zo groot mogelijke chemische middelen wilden, alles wat uit Amerika en Europa kwam, leek toen het beste. Nescafé werd bijvoorbeeld in Colombia aangeprezen als de beste koffie. In Colombia!!!

Noni-bladeren. Mocht ik horen ongeneeslijk ziek te zijn, dan zou het goed kunnen dat, ik in de hoop langer te leven, eerder hiervoor zou kiezen dan voor een chemobehandeling. Onze doktoren doen ook maar wat ze van hun voorgangers hebben geleerd; wat zal bovendien de invloed zijn van de farmaceutische industrie? Bij malariapreventie erger ik me bijvoorbeeld dat je klakkeloos pillen krijgt voorgeschoteld die heftige bijverschijnselen kunnen geven, vooral Lariam en Malarone. Hou me ten goede, ik ben geen Jomanda, maar al reizende vraag ik me het nodige af.

 

Wat is bijvoorbeeld recht en onrecht? Iedere maatschappij vervloekt diefstal als vanzelfsprekend. Hoe eerlijk is het dat de een wordt geboren met veel meer geld en mogelijkheden dan de ander? Waarom laten we ons door populisten afleiden door het creëren van gemeenschappelijke vijanden terwijl andere factoren een veel grotere impact hebben? Terwijl ik dit schrijf, bedenk ik dat de Nederlandse journalistiek een heel goed voorbeeld is. Ik ben nog steeds erg blij dat ik daarmee gestopt ben want vooral onder freelancers is het armoe troef. Ik hoorde enkele jaren geleden dat na de bibliotheekbranche de journalistieke de grootste terugval kent. De redenen zijn duidelijk. Véél meer mensen volgen nieuws gratis op internet. Veel adverteerders richten zich ook op internet en betalen minder dan vroeger bij gedrukte media. Daar tegenover staat dat er tegenwoordig véél meer opleidingen journalistiek zijn dus de vijver zit boordevol vissen waaronder starters die zich voor een appel en een ei aanbieden. Moeten we nu schreeuwen dat het aan de buitenlanders ligt? In dit geval is het antwoord duidelijk want slechts een enkeling die Nederlands niet met de paplepel kreeg ingegoten, werkt in onze taal als journalist.

Ja, in andere branches kan de verhouding anders liggen. Maar ook daar geldt: wat te denken van automatisering als reden voor ellende en zeker ook hebzucht, zie economische crisis? In eigen land… Onvoorstelbaar dat veel arme Amerikanen een geldwolf die áángeeft minder belasting te willen voor de rijken, als heiland zien om hun problemen op te lossen. Arme mensen in ontwikkelingslanden hebben én te maken met de graaiers in eigen land én met de heersende landen/multinationals in het algemeen. Landbouw, transport, groothandel, supermarkt… Wat zal een bananenplukker verdienen als je bedenkt hoeveel mensen hun deel opeisen eer bananen voor een luttel bedrag in onze supermarkten liggen? Dat wat híer, in Latijns-Amerika, wordt geïmporteerd, is vaak stukken duurder en daarom zeker hier, enkel voor de happy few. Noten bijvoorbeeld, olijven en wijn. Dezelfde fles Chileense wijn die we in Nederland voor ongeveer zes, zeven euro kopen, kost in Colombia of Midden-Amerika doorgaans het dubbele. Waarom kan ik jarenlang rondreizen enkel omdat ik mijn huis heb verkocht terwijl zoiets voor zoveel mensen onbereikbaar is, alleen omdat ze elders zijn geboren?

En ze steeds meer wél afhankelijker worden van geld. Zo is het nog niet lang geleden dat de bevolking van Chocó, aan de Pacifische kust van Colombia, enkel van ruilhandel leefde. Evengoed dat ik het als kind heel normaal vond dat we als gezin wekelijks één fles gazeuse van 0,75 liter dronken. En weinig idee had, wat de wereld allemaal te bieden had…

 

Onder water weegt een duikfles nauwelijks iets. Ondanks de rugklachten in het begin, duik ik probleemloos in Bocas. Ik haal zelfs mijn “gevorderde”-certificaat bij Michel, Jeannette en Glen, die voor kost en inwoning voor ze werkt. Alle drie komen uit Canada. Michel (73) en Jeannette (65) lieten hun vaderland acht jaar geleden voor wat het was en voeren hun duikschool vooral uit passie. Jeannette praat me urenlang bij over het zeeleven en uiteindelijk zit ik met leitje op de zeebodem vissen te tellen. Het ís extra fascinerend als je weet dat bijvoorbeeld twee papegaaivissen die er compleet anders uitzien, toch een en dezelfde hadden kunnen zijn. Uitleg: alle jonkies beginnen rood-zwart geblokt als vrouwtje. Afhankelijk van voeding, kracht en het ontbreken van mannetjes, evolueren sommige vrouwtjes tot veelkleurige mannetjes! Andere vissen verschieten á la kameleon compleet van kleur of hebben rood als camouflage want rood is de eerste kleur die je dieper in het water niet meer ziet.

Samen met Michel en een Zwitser daal ik af naar 30 meter, omgerekend een flat van tien verdiepingen. Waar we het doen valt niets te zien, het is puur om te oefenen. Want terwijl je tot 18 meter normaliter goed weg komt als je in één keer naar boven zwemt, kan dat van dieper uit dodelijk zijn. Het klinkt eng maar op de snelweg gooi je óók niet patsboem je stuur om… Niettemin houd ik Michel continu in de gaten. Wat ook de bedoeling is.

Met de extra ervaring krijg ik meer ruimte voor andere handelingen zoals een wrak opmeten en navigeren met een kompas. In een groepje rondom Glen maak ik weer een nachtduik mee. Een nóg mythischere ervaring waarbij we onder andere met gedoofde lichten “parels van de Cariben” zien, het best te omschrijven als strengen vuurvliegjes. Ach, de wereld is zo mooi…

 

Maar je moet oppassen. Op een ochtend ben ik op een ander eiland afgezet op een piepklein strandje waar ik wil snorkelen. Er leidt een pad langs en de jongen die me heeft afgezet waarschuwt mijn tas niet onbeheerd achter te laten. Er zit niet veel waardevols in maar goed, ik wil mijn tas – mijn babyrugzak – niet verliezen met de spullen die ik vrijwel altijd meezeul: middel vóór en na muggensteek; zonnebrandcrème; Zwitsers zakmes; lepel; zaklamp; stroomstootgever en traangas; regenjas, poncho en paraplu; vaseline; zeep; mini-EHBO; water. Daar moet nog een kompas bijkomen. Over navigeren gesproken én over oppassen… Michel vertelde me dat die twee Nederlandse meisjes die 2,5 jaar geleden in de Panamese bush overleden, net daarvoor bij hem hadden gedoken. ‘Prachtig mooie meisjes’. Triest. Inderdaad is de plek waar ze verdwenen dichtbij.

 

Ik loop enkel wat meters de bush in op zoek naar een plek waar ik mijn tas kan verstoppen. Voortdurend blijf ik hem zien en ik baal, dit gaat allemaal van mijn snorkeltijd af want ik word straks weer opgehaald. Dus verzamel ik palmtakken om de tas te bedekken. Dan valt mijn oog op een snoezig knaloranje kikkertje van hooguit drie centimeter en al snel zie ik er nog drie. Hoe aandoenlijk ook… Deze eilanden staan bekend om piepkleine kikkertjes met knalkleuren waarvan sommige het meest krachtige gif dat bestaat op zich dragen. Krachtiger dan slangengif, arsenicum of wat ook. Vanaf dat moment onderzoek ik elke plek die ik wil aanraken en blijft er slechts een uur over om te snorkelen. Het zicht valt toch tegen maar ik zie wel een aantal kwallen. Zonder wetsuit voel ik me ook daar opeens heel kwetsbaar…

Tot mijn engste ervaringen behoort het moment waarop de achtjarige Rick en ik snorkelend in de Rode Zee plots werden omringd door ontelbare roze kwallen. Hoe overleef je zoiets als ze steken? Ze staken niet. We boksten zelfs met onze vuisten tegen ze aan, geen probleem. Maar wat een mazzel…

 

Ook in Costa Rica heb ik ongelooflijke mazzel. Ik reis langs de Caribische kust omhoog naar Tortuguero, bekend om de zeeschildpadden die er eieren leggen. Dat seizoen is helaas net voorbij maar we zitten nog wel binnen de zestig dagen broedtijd. In één “nest” – het vrouwtje heeft ze ingegraven in het zand tegen de jungle aan – bevinden zich doorgaans ruim honderd eieren. De kleintjes hebben elkaar nodig om naar boven te klimmen en dan volgt zo’n dertig meter naar de zee. Vogels, honden, zelfs jaguars wachten de baby’s op evenals vraatzuchtige vissen. Slechts één procent haalt dan ook het water en slechts één op de duizend wordt volwassen. Naar horen zeggen hè, ik ben geen bioloog.

Afijn, de meeste schildpadjes verrichten die Spartaanse heldendaad ’s nachts maar niet allemaal… Op een middag wandel ik in mijn eentje over een afgelegen strand. Ik fotografeer jaguarsporen die een “local” later meteen herkent als hondenpoten. Even later durf ik nauwelijks langs zo’n dertig gieren die zich tegoed doen aan een uit de kluiten gewassen aangespoelde dode zeeschildpad. De helft van de gieren trekt aan het vlees terwijl de andere helft in een kring om hun prooi staat met het gezicht naar buiten. Zij fungeren als wakers dus. Als je in Nederland al moet oppassen voor zeemeeuwen, wat moet ik nu dan doen? Ik loop voorzichtig langs de junglezoom naderbij en zie dat de een na de ander wegvliegt. Van de andere kant komt een jogger die ik herken als Nederlander. Hij stopt nauwelijks en ik voel me een blondje als ook ik probleemloos langs de schildpad loop.

Een paar honderd meter verder staan circa tien gieren op een rij. Ik ben niet meer bang en voel een boosheid opkomen als ik zie hoe één van die monsters met zijn snavel een schildpadje uit het schild pulkt. En verderop komt zo’n kleintje aangeschoven terwijl een andere gier…

 

Mijn moederinstinct komt weer helemaal naar boven. Ik ren schreeuwend en armen zwaaiend naar dat kleintje en ontdek dat er nog veel meer uit het nest kruipen. Maar als ik dáár blijf is het koplopertje weerloos dus ren ik daar naartoe. Anik vertelde dat het elektrische geluid van het stroomstootmachientje honden afschrikt dus ren ik dzzdzz’end zigzag over het strand. Geloof me, dit is héél normaal…

Als de jogger terugkomt, maken we ons samen sterk tot we tot onze spijt de kleintjes in de steek moeten laten. Het kan uren duren eer ze allemaal tevoorschijn zijn gekomen en het wordt binnenkort donker. Dichter bij Tortuguero zie ik van afstand twee mensen heen en weer rennen dus ook daar is het bingo. Ik hoop dat ze de schildpadjes níet oprapen. Door over het strand te schuifelen met hun vinnen, leren de kleintjes namelijk te zwemmen. Daarbuiten… zeeschildpadden keren na 25, 30 jaar terug naar hun geboortestrand om daar hun eieren te leggen en ze herkennen het vanwege die eerste barre tocht. Schildpadden uit Tortuguero komen soms zelfs terug van Afrikaanse wateren! Gelukkig, het stel – alweer Hollanders – kent de theorie en heeft ook gehoord dat je de beestjes kunt helpen door ze te besproeien met zeewater. De zeeschildpadjes hier zijn erg zwak en terwijl ik het stel bijsta, is er slechts één die het water haalt. Je wordt tot tranen geroerd als zo’n kleintje moederziel alleen de zee induikt!

 

In Costa Rica zie je überhaupt veel meer beesten dan waar ook in Latijns-Amerika. Luiaards, apen, leguanen, kaaimannen… zelfs krokodillen, uniek in Amerika.

Het maakte de heenreis naar Tortoguero vanuit Limón extra bijzonder. We voeren over kanalen parallel en nabij de zee en schipper Benjamin maakte er een toeristisch uitje van door voortdurend te stoppen, terug te varen en te wijzen op beesten, heerlijk relaxed. Ook op de weg is nauwelijks sprake van al die krankzinnige inhaalmanoeuvres van Zuid-Amerika. Een ander pluspunt: Costa Rica heeft al ruim vijftig jaar géén leger. Ik houd een mini-enquête: iedere Tico – Costaricaan – die ik erover spreek reageert positief. Wel zijn hier heel veel gevluchte Nicaraguanen. Verdorie. Hoe blij waren we toen halverwege de jaren tachtig de Sandinisten dictator Somoza hadden verdreven onder leiding van Daniel Ortega. Dezelfde Ortega is net voor de zoveelste keer herkozen en wie ik ook spreek: ‘Hij is net zo’n machtswellusteling als Somoza.’ Moet gezegd dat ik hier enkel vluchtelingen spreek, maar toch.

 

Ik dwaal af, mijn mazzel. De avond vóór ik Tortuguero verlaat heeft het al zóveel geregend dat in sommige paadjes water kniehoog staat. Ik kom ’s ochtends twee minuten te laat voor de boot van half zes en moet wachten tot de volgende om negen uur. Daarom kom ik te laat aan in San José voor een aansluitende bus richting Los Chiles, bij de Nicaraguaanse grens. Ik neem daarom een hotel en verneem slecht nieuws uit Nederland waarop ik voorstel om een maand naar ons kikkerland te gaan. De volgende ochtend, nét voordat ik het hotel wil verlaten om naar Nicaragua te gaan, ontvang ik tegenbericht. Graag, kom naar Nederland. Ik draai mijn reis om en neem een bus richting Panamese grens.

Ik hoor pas dan, dat tropische storm Otto is uitgegroeid tot hurricane. Hij raast over Bocas en onder andere Tortuguero wordt geëvacueerd. Juist de streek rondom Los Chiles en het aangrenzende Nicaraguaanse gebied wordt het zwaarst getroffen en uitgeroepen tot rampgebied.

Net voordat het grootste gedeelte van Costa Rica onbegaanbaar wordt, mede doordat het openbaar vervoer niet rijdt, heb ik Golfito bereikt, aan de Panamese grens. Ik wil hier een trektocht houden in Corcovado. Het staat bekend als één van de mooiste natuurparken van Costa Rica en omdat het land tot de mooisten ter wereld wordt beschouwd, is het er vast héél prachtig. Maar ook hier wordt code rood gegeven. Waarschijnlijk omdat er enorm veel regen valt dat van de Stille Oceaan komt, of zijn ze bang dat Otto draait? In ieder geval blijf ik braaf drie dagen op mijn hotelkamer en bekijk zo’n beetje elke James Bond-film. Ik schrijf dit drie dagen later vanaf vliegveld Panama en ik heb loop nog voortdurend rond met Dangedangdang, dang dang dang dangedangdang… in mijn hoofd. Ik voel me zelfs een spion want de helft van mijn rugzak zit volgepropt met noni-bladeren en –vruchten die ik níet wil aangeven want je zult zien dat de douaniers wel weer een reden hebben om ze te incasseren. Ik ga een vriend bijstaan die heel erg ziek is en hopelijk verlichten de noni-bladeren daarbij. Op 1 januari vlieg ik terug naar Panama en daags erop naar Cali voor het vervolg van het Colombia-avontuur. Dangedangdang…

 

43 De ongerepte kust, midwest Colombia

La felicidad no es un destino. Es la actitud contra la que se viaja por la vida

Geluk is geen bestemming. Het is de houding tegenover hoe je door het leven reist

 

Anik en ik gaan samen op stap en wel naar het wilde westen. De Pacifische kust van Colombia is enkel bereikbaar met kleine vliegtuigjes of vrachtschepen die passagiers meenemen. Hoewel Anik vliegangst heeft, weigert ze de reis over zee. ‘Daar zit je 24 uur op woeste golven, nee!’

We ontmoeten later een jong stel dat het heeft gedaan; van Buenaventura naar Nuqui, per snelboot in zes uur. ‘Maar ik was wel de hele tijd ziek’ vertelt Angelica, al wit wegtrekkend omdat ze over enkele dagen dezelfde route terug moeten afleggen. Ze zijn beiden arts en toeren op de motor rond om hun land te leren kennen. Steeds meer Colombianen reizen. Maar er zijn er nog veel meer die dat nooit doen en zelfs de mooie plekken in hun omgeving niet of nauwelijks kennen. Net zoals dat vroeger bij ons het geval was.

 

Anik en ik hebben een retour geboekt vanaf Medellin naar Nuqui. Een week voor vertrek, als ik nog in Mocoa ben, annuleert vliegmaatschappij Satena de heenreis met de toezegging dat we het volledige bedrag terugkrijgen. Wat hebben we dan aan de terugreis? En aan de vlucht vanuit Cali naar Medellin? Bovenal: we willen naar de westkust, nu zijn de bultrugwalvissen er nog! Ze zwemmen hier voorbij tussen juni en november, vooral tussen eind augustus, begin september. Dat is weliswaar al geweest maar om tot volgend jaar te wachten?

Terug in Cali bezoek ik Satena en weiger te vertrekken eer ze het door hún veroorzaakte probleem oplossen. Een dergelijke kritische houding zijn bedrijven hier niet gewend maar het lukt: drie uur later verlaat ik het kantoor met een heenreis naar het andere vliegveld aan de Pacific, dat van Bahia Solano. Helaas vier dagen na onze oorspronkelijke heenreis maar we kunnen in ieder geval vertrekken en we komen de tijd in Medellin wel door.

 

Eerst wordt duidelijk dat Anik niet langer meedoet als mede-oprichter van onze reisorganisatie. Terwijl ik de afgelopen maand hiervoor op pad was, was Anik vooral bezig met haar kinderdagverblijf. Ze heeft problemen met ouders van een kind dat twee jaar geleden heel ongelukkig viel tegen een tafel die daaropvolgend dichtklapte en zijn gezicht ernstig verwondde. Hij moest enkele operaties ondergaan en op zijn achttiende wacht hem er nog een. Anik had net een aanvraag voor een verzekering ondertekend maar die was nog niet opgestuurd. Ze heeft het nodige betaald en tracht nu met de ouders tot een bedrag te komen waarna ze haar niet nogmaals aansprakelijk kunnen stellen. Ze heeft bovenal last gehad doordat de ouders onder andere via internet lieten weten wat er was gebeurd wat resulteerde in minder aanmeldingen. Terwijl als je ziet hoe fantastisch dat kinderdagverblijf is opgezet… Moet Anik de kinderen dan in kooien stoppen opdat er nooit iets gebeurt? Afijn, ze komen tot een overeenkomst en Anik en ik nemen opgelucht een taxi naar het vliegveld. ‘Er is echter altijd wel wat en dat zal ook met het reisbureau het geval zijn; ik wil geen dubbel portie op mijn bordje. Ik steun je liever zonder vast te zitten aan verplichtingen’ legt ze uit.

Ik begrijp het. Bovendien, we zijn twee dominantie dames met hun eigen gebruiksaanwijzingen. Hoezeer we elkaar ook mogen, het risico zou te groot zijn dat er onenigheid komt. Het geeft me tevens de ruimte om mijn eigen tempo te bepalen. Om bijvoorbeeld de komende zomer ongegeneerd weer drie maanden in Europa door te brengen. En ik zal de laatste twee maanden van 2016 buiten Colombia moeten doorbengen doordat ik voor een werkvisum ingeschreven moet staan bij de Colombiaanse KvK en een businessplan overhandigen; daarvoor is het te vroeg. Het blijft jammer om de vele taken die op me af komen alleen te dragen dus ik kijk om me heen of ik een geschikte kandidaat vind die geïnteresseerd is.

 

Een van de redenen waarom Anik afhaakte, is dat het vredesakkoord tussen regering en FARC tot veler verbazing wordt verworpen door de bevolking. Nou ja, bevolking… Slechts 37 procent stemt en daarvan stemt 50,25 procent Nee. Het gros daarvan zijn stedelingen die veel minder ellende van de burgeroorlog hebben ervaren dan de mensen op het platteland. Veel Nee-stemmers beweren vóór vrede te zijn maar willen dat de FARC-leden worden gestraft in plaats van dat ze een politieke partij mogen oprichten, zoals in het akkoord is afgesproken. De grote ophitser is voormalig president Uribe, die tijdens zijn regeerperiode de FARC sterk terugdrong en hiermee had willen doorgaan tot het einde. Er zijn ook Nee-stemmers die bang zijn dat ze hun goedkoop verkregen al dan niet tweede huis weer moeten afstaan aan de oude bewoners. Er wordt gezegd dat tussen vier en vijf miljoen mensen hun huis hebben moeten verlaten als gevolg van de burgeroorlog! Velen leven sindsdien in stedelijke suburbs in barre omstandigheden. En dan schijnen veel pastoors hun parochie te hebben geadviseerd om Nee te stemmen omdat ze vrezen dat de nieuwe wind ongewenste gevolgen met zich zal meebrengen zoals meer homoseksuelen in het land…

Het lijkt een vast gegeven dat vreselijke misdaden zijn gepleegd door zowel leger, guerilla’s als paramilitairen. De laatste zijn met name ingezet door Uribe en sindsdien strijden ze op hun manier: het levert geld en macht op! En dat is volgens kenners hier de grootste factor waarom Colombia feitelijk vanaf de onafhankelijkheid begin negentiende eeuw altijd interne strijd heeft gevoerd: velen hebben er baat bij en het land is niets anders meer gewend.

In hoeverre de guerillastrijders in een verkeerd daglicht zijn gesteld door onder andere onze vriend de Verenigde Staten? Zij schijnen er wel voor te hebben gezorgd dat in het vredesakkoord er eindelijk meer rechten zijn voor de kleine boer. Als gezegd, het verschil in Colombia tussen arm en rijk is gigantisch en in tegenstelling tot veel andere Latijns-Amerikaanse landen zijn hier nooit landhervormingen doorgevoerd die zorgden voor een wat eerlijkere verdeling.

In ieder geval is de stemming in het land na de verkiezingen pessimistisch en staan mensen tegenover elkaar, vaak met tranen in de ogen. Komt er dan verdorie nooit een eind aan die ellende? Maar zowel FARC als regering stellen dat ze zich willen blijven inzetten voor de vrede en staan open voor verdere onderhandelingen. En dan komt er na een paar dagen een extra groot lichtpunt dat weliswaar zorgt voor smalende opmerkingen maar vooral opluchting: president Santos heeft de Nobelprijs voor de vrede gewonnen! In mijn ogen een geweldige keus, het kan nét de opsteker zijn die het land nodig heeft. Santos lijkt erg oké.

 

Medellin heeft zijn negatieve imago voor een groot deel van zich afgeschud door hard te investeren in de toekomst. Het openbaar vervoer is er veel beter geregeld dan in andere Colombiaanse steden. De stad ligt in een vallei en in de lengte daarvan zorgt de “metro” – een trein – voor een snelle verbinding. Heuvelopwaarts zijn onder andere telecabines (skiliften) en roltrappen geïnstalleerd die de arme wijken meer ontsluiten. In het centrum heerst tussen diverse beelden van Botera een positieve sfeer met veel straatartiesten. Zwarte jongens die flink geld verdienen door met afgetrainde lichamen hun salto’s en andere capriolen te vertonen, heerlijk! Maar twee straten verder stikt het van de hoeren en je moet ook goed blind zijn, wil je de vele verslaafden over het hoofd zien. Het wemelt er evengoed van de toeristen. Medellin zindert.

 

Anik en ik lopen met plezier rond in het museum van Antioquia, de provincie waarvan Medellin de hoofdstad is. Ik houd erg van het werk van Botero, Colombia’s bekendste kunstenaar die zijn roots heeft in deze stad. Hij vervormt mensen in zijn werk tot dikke propjes. Aan de ene kant verveelt dat na een tijd; aan de andere kant maakt het vooral hoogwaardigheidsbekleders zo ridicuul, dat ik blijf lachen.

 

Daags erop zweven we in de skilift boven de ergste sloppenwijken van de stad heel snel de stad uit naar Parque Arvi, een groene en koude – we zitten hóóg – omgeving. Hier woont Miro, de sjamaan die me in eerste instantie uitnodigde om deel te nemen aan een ceremonie. Hij huurt er midden in het groen een huis en jawel hoor, al snel wordt er gesproken over een rituele nacht. Hij moet wel want een net afgezwaaide dienstplichtige soldaat komt om het mee te maken, zijn drugsverslaafde broer is grotendeels afgekickt dankzij sessies met Miro. ‘Wie weet kom jij jezelf vanavond ook tegen’ knikt hij me bemoedigend toe.

Oké ik doe weer mee. Nog steeds niet met het neuspoeder hoewel de anderen er niet van beginnen te stuiteren. Maar we krijgen ook peyote om in een ontspannen sfeer te raken en San Pedro om het effect van de yagé te verwerken. Ik merk er allemaal weinig van en tuur vooral in het vuur van de open haard. Het is hier te koud om naar buiten te gaan. Er komen ook geen zang-, muziek-, en danspartijen, evenmin speciale kleding. ‘Iedereen gaat op een eigen plekje met zichzelf aan de slag’, verklaart Miro. Hij houdt wel lange betogen over de medicijnen en vertelt aanstekelijke verhalen over zijn eigen ervaringen.

Net voor hij rond half twaalf de yagé uitdeelt, haakt Anik af. ‘Ik voelde me niet lekker op de San Pedro en kreeg het ijskoud’, vertelt ze de volgende ochtend. Ik denk aan het schreeuwverhaal van Kevin en heb er weinig trek in dat ik iets dergelijks ga doen. ‘Geef mij maar wat minder.’ Ik hoor wat later hoe de soldaat over zijn nek gaat maar doezel zelf al snel weg. De ochtend daarop spoelen mijn darmen schoon en dat is het enige wat ik deze keer merk.

 

Het zit er echter nog niet op want ‘s middags gaan we “saunaatje spelen”. Met twee assistentes maakt Miro een tent met in het midden van de vloer een gat. Terwijl we liedjes zingen, krijgen we vier sessies met hete stenen waarop Miro water gooit. Stomen dus terwijl we Pacha Mama – moeder aarde – danken voor al het moois dat ze ons schenkt. Fris en fruitig keren Anik en ik terug naar Medellin. Waar we de volgende dag beiden zowel een stroomstootwapen als traangas kopen. Anik zelfs drievoudig; voor haarzelf, haar dochter en zoon.

 

De vliegreis naar Bahia Solana verloopt rustig. We weten inmiddels ook waarom Satena onze eerste heenreis annuleerde: de vliegmaatschappij is ontevreden over de staat van de baan in Nuqui. Dus is het helemaal de vraag of we van daaruit kunnen terugvliegen maar dat bevestigt Satena pas na aandringen van ons. Om eventuele problemen voor te zijn, wijzigen we ook onze terugreis; we zullen vier dagen na de oorspronkelijke datum, terugvliegen vanaf Bahia Solar. Hebben we toch onze twee weken aan de kust. Of meer… “Sal si puedes”, “vertrek als je kunt” heet het vliegveld in de volksmond. Het zal meevallen met 4,5 uur vertraging omdat het wolkendek te dicht was om te landen. Het vliegtuig keerde daarom terug naar Medellin om te wachten op een betere lucht.

 

Chocó, de provincie waarheen we vliegen, is om meerdere redenen ruig. Het behoort tot de meest regenachtige streken ter wereld en tijdens ons bezoek giet het voortdurend. Warme neerslag, dat wel. Niettemin hangt het me na twee weken behoorlijk de keel uit.

Het is tevens een arme regio met vooral indianengemeenschappen en verder een negroïde bevolking. Veel woningen staan op palen en hele dorpen staan blank tijdens vloed. Door de isolatie worden veel goederen van ver aangevoerd. Een krop sla kost er 3 euro maar er is weinig vraag naar. Anders zouden mensen groente ook wel zelf telen. Voeding bestaat hier overwegend uit gefrituurde vis, kokosrijst, gefrituurde bananenschijfjes en gefrituurde deegwaren. Vet, vet, vet. Er is wel aangemaakt sap te krijgen maar de inheemsen houden het vooral op frisdrank en andere dranken met veel suiker. Verder is er de nodige aguadiënte.

En cocaïne… Het is van hieruit niet ver varen naar Panama. Dus schijnen veel mensen hier hun gefrituurde deegwaren te kunnen bekostigen door nachtelijke smokkeltochten naar het buurland.

 

Maar Chocó is ook, hoewel marginaal, een toeristenoord. Helaas maken we voor het spotten van walvissen gebruik van de diensten van Fidel Castro. ‘Familienaam Castro en mijn ouders geloofden wel in de communistische leider, vandaar.’ Anik en ik inmiddels minder in zijn naamgenoot.

Als we in de verte de rug van een walvis spotten, keert meneer zijn bootje om richting nationaal park Utria. ‘Walvissen gezien, tijd is geld!’

In Utria moet ik als buitenlandse 42.000 peso neertellen (12 euro, een behoorlijk bedrag) voor een wandeltochtje van een half uur. Daarna varen we naar een plek waar, ondanks toezegging van meneer Castro dat het er geweldig snorkelen is, nauwelijks in de golven valt te zwemmen en waar we voor eigen rekening een lunch krijgen. Daarna knallen we over de baren weer terug. Totale kosten een kleine vijftig euro. Vanaf ons kleine bootje was de kans ook behoorlijk gering om walvissen op een indringende wijze te zien te krijgen. Dat moeten we voor lief nemen, er zijn hier nauwelijks voorzieningen.

 

Je bent hier erg afhankelijk van getijden en boten. Van A naar B kun je vrijwel enkel over zee. En vrijwel altijd zijn de boten klein en de golven behoorlijk, evenals de snelheid. Heb je de pech dat je voorin zit dan knal je soms letterlijk omhoog. Het gebeurt mij een keer waarbij een enorme pijn in mijn onderrug schiet. Ik kan nauwelijks meer zitten, buig voorover met van pijn vertrokken gezicht. Een crewlid biedt aan om van plaats te wisselen. Ik kan me nauwelijks voorstellen dat ik het anders had volgehouden tijdens de ruim een uur durende tocht. Je kunt moeilijk overboord stappen in deze roeiboten en sloepen – qua afmetingen – met buitenboordmotor! En dan valt die weer uit… Ook hier bedenk ik verschillende keren: waarom doe ik dit?

 

Omdat we over uitgestrekte palmenstranden lopen. Omdat we na een glibberend pad bubbelen in natuurlijke warme baden midden in de jungle. Omdat we onze ruggen masseren onder watervallen. Omdat we ook vanaf het vaste land soms walvissen spotten. Omdat we pasgeboren zeeschildpadjes helpen om in ieder geval hun eerste dag te overleven. Nou ja, wat er met ze gebeurt als ze in zee verdwijnen, kunnen we niet meer zien. In ieder geval: deze kust is nog zó ongerept!